Als je de mens in al zijn doortraptheid en achterbaksheid in het wild wilt tegenkomen, is de tennisbaan een aardige pleisterplaats. Waar voetballers nog vaak rare capriolen moeten uithalen om de boel te misleiden (vreemde fopduiken, een getergde grimas en een schreeuw vanuit de onderbuik), hoeft een tennisser vaak alleen maar doodleuk ‘uit!’ te roepen terwijl de bal gerust een centimeter of meer binnen de lijnen belandde. Het mooiste moment is als de tegenstander onraad ruikt en, staande bij het net, vraagt of de speler in kwestie zeker is van zijn beoordeling. Dan wordt ’t leuk. Dan zie je de valsspeler een bal rapen of zijn schoenen afkloppen en net iets te kort, iets te betrapt, iets te binnensmonds ‘ja’ zeggen om overtuigend te klinken. Zolang ikzelf niet op de baan sta, geniet ik daarvan. De mens in zijn meest kleinzielige vorm is altijd weer een gezellig tafereeltje om naar te kijken, al was het maar omdat jij jezelf – ook maar een sukkel, tenslotte – even als een ware volwassene kunt beschouwen die ‘daarboven staat’. Lang duurt die illusie overigens niet. Want een paar dagen later sta ook ik hoofdschuddend op de baan. Moordlustige gevoelens bespringen mijn gemoed. Er is niet meer voor nodig geweest dan een tegenstander die ’40-30’ zegt terwijl de werkelijke stand 30-40 is. Het laatste punt is naar mijn maat en mij gegaan. Daar zijn wij en onze tegenstanders het over eens. En dus haal ik de stand voor de laatste slagenwisseling aan, 30-30, om aan te tonen dat wij het bij het rechte eind hebben. ‘Dan is het nu toch 30-40?’ zeg ik, kalm. Maar dan staat één van de tegenstanders ineens met z’n handen in de zij en z’n borst vooruit bij het net. Hij zegt: ‘Je hebt niks gezegd.’ Ik kijk ‘m bevreemd aan. ‘Niks gezegd?’ vraag ik, enigszins verbaasd. ‘Toen ik net zei dat het 40-15 was, heb je niks gezegd,’ zegt hij. Ik sta perplex. De tegenstander heeft een strakke grijns op het gezicht. Ik voel aan: hij gaat voet bij stuk houden. Mijn bloed begint te kolken. Aangezien de einduitslag mij werkelijk geen zier uitmaakt, maar ik ook weer niet het lijdzame lijdend voorwerp wil zijn van deze overduidelijke intimidatiepoging, grijp ik naar mijn favoriete instrument: de ironie. ‘Dus als ik het goed begrijp, vind jij dat ik op de baan sta om voortdurend jouw stand te controleren en corrigeren?’. De tegenstander heeft nu een ijzige blik in de ogen. Hij kijkt langs me heen: ‘Ik zei 40-15 en je hebt niks gezegd.’ Als ik geen zin heb om te capituleren (ik en mijn maat zijn zeker van onze zaak) biedt de tegenstander – in een vlaag van berouw? – een let aan. ‘Dan staat het 30 gelijk, oké?’ Ik ben al niet meer voor rede vatbaar. Ik weiger. ‘Hoe kun je nou naar links serveren op een even stand?’ zeg ik. ’30 gelijk klopt sowieso niet.’ ‘Oké,’ zegt de tegenstander resoluut, ‘dan moet je ’t zelf weten, dan is het 40-30.’ We spelen verder en één punt later hebben ze de game geroofd. De tronie van die tegenstander – dat weet ik nu al – zal nog enige tijd in mijn geheugen rondwaren. Hoe dik (of dun?) is de laag van beschaving? Eén puntje dun. Op de tennisbaan, overal…?
(deze column verschijnt in het aankomende nummer van ‘Baanpraat’, het huisorgaan van ATV Berkenrode)