In Geen categorie on 29 juni 2009 at 23:50
Hierbij wil ik een korte lofrede houden op mijn internetmaatje, Martijn Benders. Hoewel ik inmiddels (de min of meer gebruikelijke) honderden ‘vrienden’ op Facebook, Twitter, Plaxo, LinkedIn en Hyves heb verzameld, is er maar één die de moeite neemt om mij uitgebreid van repliek te dienen en alles doet om mij tot de grond toe neer te sabelen en, inderdaad, zijn naam is Martijn Benders. Terwijl de rest van mijn contingent digitale ‘followers’ zich af en toe tamelijk onverschillig laat bevredigen door mijn soms leuke, soms melige, soms scherpe, soms onbetamelijke opmerkingen en oneliners, is Benders constant bereid me bij mijn arrogante lurven te pakken en tot bloedens toe te ontmaskeren. Hij is de tegenstander die ik mij wens: licht ontvlambaar, altijd tikbereid, goed van de tongriem gesneden, belezen en tot op het bot wantrouwend als het om types als ik gaat: zich ‘journalist’ noemende opportunisten, die schaamteloos leentjebuur spelen bij andere schrijvers en denkers, zonder zelf ooit een originele gedachte tentoon te spreiden. Benders houdt het graag ‘zuiver’, als u begrijpt wat ik bedoel… Sinds de verschijning van M. Benders aan het digitale front hoef ik me geen zorgen meer te maken of het wel ’uitmaakt’ wat ik noteer. Ik weet dat er één persoon is in Istanbul – M. Benders – die in een ‘post’ van mij een uitgelezen kans ziet alles wat hij haat en veracht de doodsteek te geven. Het leidt dikwijls tot een cyber-zwaardgevecht dat ik als ‘intiem’ en ‘vermakelijk’ zou willen kenschetsen. En als Benders zich daar ongelukkig bij voelt, stel ik voor dat hij zijn steekwapens voortaan maar in hun schede laat zitten. Liever niet.
‘Let’s make love áááánd war’, Martijn.
In Geen categorie on 28 juni 2009 at 11:30
Eén van de weinige autobiografieën uit de sportwereld die ik met plezier heb gelezen, is ‘Serious’ van John McEnroe. Niet alleen was hij in zijn hoogtijdagen een kleurrijk figuur op de tennisbaan (alsmede een puntgave stilist), hij weet het in zijn memoires al even kleurrijk, en gelardeerd met een gezonde hoeveelheid humor en zelfkennis, op te dienen. McEnroe is een veelzijdige man, een getalenteerd muzikant ook, en nu, tijdens Wimbledon, kunnen we weer dagelijks genieten van nog een ander talent dat in hem schuilgaat: haarscherp commentaar geven bij wat er ‘on the court’ gebeurd. In zijn beste momenten is hij grappig, to-the-point en bijna filosofisch in één enkele zin! Gisteren nog… Gevraagd naar het grote verschil tussen de Schot Andy Murray en zijn Servische opponent Viktor Troicki, antwoordde ‘Mac’, aan het begin van de partij, zonder aarzeling: ‘Murray is een tennisspeler die via krachttraining een atleet is geworden, Troicki is een atleet die via training probeert een tennisspeler te zijn.’ De uitslag – 6-2, 6-3, 6-4 voor Murray – was de perfecte weergave van ‘Mac’s’ typering.
In Geen categorie on 27 juni 2009 at 22:45
Wat doe je een schrijver, dichter, komiek of muzikant eigenlijk aan als je hem of haar bewondert? En wel op een manier die je doet hunkeren naar een volgende voorstelling of CD of uitgave? Die vraag heb ik mezelf gesteld naar aanleiding van de nieuwe bundel ‘Buurtkinderen’ van Arjen Duinker: een dichter die ik eindeloos lees en herlees zonder dat ik bij de 50-ste of 100-ste keer ‘uitgekeken’ raak op zijn werk. Omdat zijn gedichten zo ongelofelijk vitaal zijn (voor mij) en er zelfs na een zoveelste lezing nergens roestplekken op gaan zitten, begroet ik een nieuwe bundel van zijn hand met niet minder dan (ongezonde?) jubel. Há! denk ik dan. Weer nieuwe werken (gedichten) om eindeloos ‘mijn tanden in te zetten’ en van te genieten. Enfin – u voelt ‘m al komen… In ‘Buurtkinderen’ raakte ik na 20 of 30 pagina’s teleurgesteld. Aangezien ik mezelf niet als een volwaardig criticus beschouw, zult u geen uitgebreide, technische verhandeling gaan lezen waaruit onmiskenbaar volgt dat de gedichten in ‘Buurtkinderen’ slechter zijn dan die in vorige bundels. Maar ik wil u twee algemene indrukken toch niet onthouden; indrukken die mijns inziens een relatie hebben met het gevoel van teleurstelling waar ik zojuist lucht aan gaf. Ten eerste bestaat de bundel uit ruim 200 pagina’s (!), waardoor – lijkt ‘t wel – de zeggingskracht annex betekenis van elk afzonderlijk gedicht afneemt. Een effect dat zeker bij Duinker ‘zwaar weegt’, omdat zijn poëzie tot dusver juist zo explosief en spannend was vanwege de suggestie van spontaniteit en het ‘eeuwige opnieuw beginnen’ – bijna per woord kon er een nieuwe wereld of gedachte of luciditeit het gedicht binnendringen!!! Nu er met ‘Buurtkinderen’ ruim 200 pagina’s Duinker-poëzie in één keer de wereld ‘in worden gegooid’, neemt dat verrassingseffect onherroepelijk af en ontstaat er bij mij al snel een gevoel van verzadiging. Door de enorme hoeveelheid lijken de gedichten ook eerder op elkaar te gaan lijken; tenminste, dat is de tamelijk hulpeloze beschrijving die het dichtst in de buurt van mijn leeservaring komt. De tweede indruk (die samenhangt met de eerste) is dat het niet of nauwelijks uitmaakt waar je ‘Buurtkinderen’ openslaat. Op elke pagina kom je het typische idioom en de onwerkelijke logica van Duinker tegen. Nog steeds een verkwikkende ervaring – maar het windt niet meer zo op, juist omdat je het 10 pagina’s eerder of later ongeveer precies zo krijgt opgediend. Om Duinker voor mezelf ‘te redden’, heb ik vandaag een oude bundel van hem uit de kast getrokken (‘Ook al is het niet zo’) en, gelukkig, daar proefde ik die vitale ’concentratie’ van de Duinker-blik, de springerige wetten van het onverwisselbare Duinker-universum, weer ouderwets in.
Tot slot: het is wellicht een wat boude en ongepaste conclusie, maar in ‘Buurtkinderen’ zie ik toch een beetje de Blokkerisering annex Kruidvatisering van Arjen Duinker. De strakke hand van het ‘merk’ Duinker houdt de hele bundel in zijn greep – en dat is juist voor deze grillige, intuïtieve dichter geen winst. Terugkerend naar de beginvraag (wat doe je een artiest eigenlijk aan door hem of haar mateloos te bewonderen?), constateer ik dat er een mes in je groeit die je bij de minste of geringste teleurstelling bereid bent in de rug van de bewonderde te steken. Sorry, Arjen.
In Geen categorie on 26 juni 2009 at 10:48
Het zal wel een woord zijn van een andere planeet, maar ik, beste mensen, hecht nog aan een overheid die – schrik niet – ‘geloofwaardig’ is. Wat ik daarmee bedoel? Dat ik van het overheidsapparaat op z’n minst mag verlangen dat het zich aan z’n eigen wetten houdt en, dankzij enig zelfinzicht, niet gaat bemoeien met zaken waar ze geen bal verstand van heeft. In beide gevallen is de Nederlandse overheid al jaren een lachertje. In plaats van een kleine, overzichtelijke en coherente overheid zitten we opgescheept met een grote, onoverzichtelijke en incoherente overheid. Het nieuwste voorbeeld is het hemeltergende geschipper van minister Plasterk richting de Publieke Omroep. Of het nu gaat om de criteria voor het toelaten van nieuwe omroepen, de salarissen voor presentatoren en bestuurders of de concurrentievervalsende initiatieven in de buik van het Mediapark, de ‘bewegingen’ van de minister (van een ‘beleid’ durf ik niet eens te spreken) wijzen slechts op een totaal gebrek aan visie op Waar Het Heen Moet en zijn niet veel meer dan reacties op sentimenten in de samenleving. De állernieuwste fout is dat Plasterk nu weer pretendeert dat de overheid een onfeilbare Idols-jury is die een ’uniek talent’ van een ‘niet-uniek talent’ kan onderscheiden. De eerste categorie mag een salaris boven de Balkenende-norm verdienen, de tweede categorie moet – och arme! – genoegen nemen met het salaris van de premier (of minder). Plasterk meet zich kortom de rol aan van, zeg, Joop van den Ende of John de Mol, zoals ontelbare overheidscommissies in het ganse land zich de rol aanmeten van cultuurbewaker. Dat zou allemaal nog niet zo erg zijn als de overheid haar klassieke rol van ‘boven de partijen staan’ en ‘beschaving brengen’ een beetje serieus neemt. Maar welke burger neemt een overheid nog serieus, die potsenmaker Paul de Leeuw als ‘uniek talent’ zes ton in de achterzak schuift en een modale werknemer bij elke crisis tot ‘matiging’ maant? Overheid, trek u terug & beperk u eindelijk tot de zaken die de markt niet kan regelen!
In Geen categorie on 22 juni 2009 at 07:41
Ik merk dat ik bij elk berichtje, elk snapshot, elk YouTube-fragment over demonstraties en (staats)geweld in Teheran in de verdediging schiet, dat wil zeggen: mezelf prangender dan ooit afvraag wat ‘het andere verhaal’ is. Als je de Westerse media moet geloven is Iran nu één kolkende massa van verzet. En zijn we vanuit onze luie stoel getuige van een strijd tussen de ‘goeien’ en de ’slechten’. Als het NOS-journaal vervolgens gaat spreken in termen van ‘het huidige régime’ (let op ‘huidig’ – het impliceert dat het weg moet, let op ‘régime’ – het impliceert dat de regering bestaat uit ongelegitimeerde boeven) en CNN over demonstranten praat als ‘fighters for freedom’ begint het zwart-wit-schilderij in al zijn simplisme op te doemen. Ik proef bijna fysiek de ontlading van journalisten en media die – eindelijk – weer eens hun zo felbegeerde rol van ‘vrijheidsstrijder’ mogen spelen. Je kunt zeggen: wat is daar tegen? En ik zou kunnen antwoorden: niets. Maar ’deep down’ ben ik toch wel enigszins geschokt door de naïviteit die de (westerse) journalistiek kennelijk aankleeft. Hoezo ‘vrijheid’? denk ik dan. Zelfs als het religieuze opperhoofd Khamenei en zijn handlanger Ahmedinejad binnenkort het onderspit delven (en dat zal vermoedelijk niet door demonstranten gebeuren, maar door meer liberale geestelijken in de hogere echelons van de ‘Raad van Hoeders’), hoeveel ‘vrijheid’ krijgt Iran daar dan voor terug? In mijn sceptische beleving wissel je bij zo’n omwenteling slechts van slavendom, simpel gezegd: je verruilt de hoofddoekcultuur door een McDonaldscultuur. Zoiets ‘vrijheid’ noemen vind ik bijna pervers. Net zoals ik de verheerlijking van onze westerse democratie als morele graadmeter voor andere landen al jarenlang persvers vind. Heel wat mensen die nu zo blij zijn met de opstand in Iran, zouden in Nederland graag zien dat de stembiljetten die rood gemaakt zijn voor Wilders’ PVV niet meetellen. Ja, mensen, zó complex is de werkelijkheid, zó onontwarbaar de puzzel van de (wereld)politiek. En de journalistiek maakt er dagelijks Duo Penotti (‘twee kleuren in een potti!’) van.
In Geen categorie on 21 juni 2009 at 16:59
Collega-dichter Peter de Groot zei het gisteren kernachtig: ‘De ene keer val je in een warm bad, de andere keer in een hoop stront.’ Het was op de terugrit van het zogenaamde Logger-festival in Vlaardingen, alwaar ik samen met A.C.G. Vianen, genoemde Peter de Groot en Menno Smit, gestalte trachtte te geven aan het poëzie-gedeelte van het programma. In een winderige setting met – in de verte – anderhalve paardenkop die aan het bier zat te lurken, stond het beklimmen van het podium zo ongeveer gelijk aan een bijna-dood-ervaring tussen sociale afbraakflats (aan de ene kant) en langs varende containerschepen (aan de andere kant). Misschien ben ik te achterdochtig, maar ik meende mijn collega-dichters af en toe ingehouden te zien gniffelen , alsof ze wilden zeggen: ‘Welkom in de ruige arena van het podiumdichten!’ Omdat verwijten richting organisatie, klachten over het publiek dan wel andere uitingen van teleurstelling of misantropie - naar mijn stellige intuïtie - wel érg voor de hand liggen (en ik daarmee zou uitnodigen ook mijn eigen performance kritisch onder de loep te nemen), wil ik de strekking van dit stukje graag omdraaien. Dánk Vlaardingen voor deze razendsnelle leerschool! Dánk Logger-festival voor het inzicht dat ik nog 10 x zo brutaal, 10 x zo hard en 10 x zo eigenwijs moet zijn om mijn hoofd boven water te houden op het poppodium! Dank Sander Groen voor de als hoofdprijs vermomde executie! En dank Peter de Groot en Menno Smit dat jullie zo gretig ingingen op mijn aanbod jullie terug te rijden naar Rotterdam! Een rit tijdens welke wij de – eufemistisch uitgedrukt – ‘ietwat wrange nasmaak’ van ons optreden wegspoelden met een vrolijke conversatie zonder rancuneuze agenda. Mijn ‘vracht’ eenmaal op bestemming afgeleverd hebbend, dacht ik: vind je ‘t gek dat dichters soms als een moederkloek aan elkaar hangen? Als een groep opgejaagde muizen aan de bar hangen? Na het Logger-festival weet ik het zeker: wij, dichters, staren onophoudelijk in het zwarte gat waar de mensen ‘buiten’ heel hard voor weglopen.
In Geen categorie on 16 juni 2009 at 07:53
De ‘verliezende’ presidentskandidaat Mousavi heeft in Teheran, tijdens een protestmanifestatie, tot zijn kiezers geroepen dat de vermeende verkiezingsfraude ‘een belediging is voor de intelligentie van de kiezers’. Een interessante uitspraak, die wat mij betreft niet alleen van toepassing is op de mullah’s in Iran. Met uitzondering van Obama (die zijn kiezers tijdens zijn campagne wél serieus nam en daar – terecht – voor werd beloond), zie ik overal in de wereld dat de intelligentie van kiezers actief wordt beledigd – zowel in democratische als in ondemocratische landen. Toegegeven, het is een grote sprong, maar wordt de intelligentie van Wilders-stemmers ook niet constant ‘beledigd’ door het moralistische optreden van de Nederlandse media jegens Geert? Sterker, zijn media en bestuurders niet voortdurend bezig een scherm van pseudo-helderheid en pseudo-samenhang aan het ophangen om de intelligentie van kiezers ‘tegen te houden’? Wat ik bij Obama zo inspirerend vindt (en inspirerend blijf vinden) is zijn realistische en pragmatische stijl van regeren, die geen enkele poging doet ideeën of levensstijlen van kiezers te veroordelen in de nuchtere zekerheid dat een maatschappij pas ‘echt goed’ functioneert als de symbolen van die maatschappij, zoals Obama, de toekomst consequent in mogelijkheden en verbeteringen blijven schetsen. Dát boort intelligentie en zelfverantwoordelijkheid aan! Vergelijk dat eens met het zielige gehakketak rond de integratie in Nederland. Omdat de politieke elite alhier volledig faalt in het creëren van een inspirerend toekomstbeeld (wij komen, god beter ‘t, niet verder dan de Olympische Spelen in 2028), kiest een meerderheid van de publieke opinie, de Publieke Omroep voorop, voor het neer ‘bashen’ van Geert Wilders. (‘Dat willen we niet!’ schreeuwen ze, als kleine kinderen.) En wordt ons elke dag weer in het hoofd gestampt dat zijn ideeën niet deugen. Hoezeer dat inhoudelijk misschien ook juist is (al is de islam bepaald geen gezelligheidsverenging), waarom zouden Wilders-stemmers zwichten voor politici die niet verder komen dan het veroordelen van hun ideeën of stemgedrag zonder hen een aantrekkelijk alternatief voor te schotelen? De grootste fout die de zittende elite daarbij maakt, is dat ze de Wilders-stemmers daarbij als een monolitisch blok xenofoben en chagrijnen benaderd die nodig geherprogrammeerd moet worden, terwijl veel Wilders-stemmers ’slechts’ genoeg hebben van de heersende manier van politiek bedrijven (zie de de ontekenningsrituelen na de Europese verkiezingen, zie de nieuwste bonussen in het onderwijs, zie de klasse van onzichtbare doctorandussen die elke dag een nieuwe bijbel van bureaucratische rimram op ons afvuurt) en helemaal niet geloven in het deporteren van moslims. Wilders-stemmers zijn – naar mijn inschatting – minstens voor de helft tactische stemmers. Hen belerend blijven toespreken op kleuterniveau, tja, dat is wederom een ‘belediging van de intelligentie van de kiezers’.
In Geen categorie on 13 juni 2009 at 10:19
De gemiddelde leeftijd van dichters en publiek lag toch algauw op 55 á 60. Maar leed de Rotterdamavond van van Poetry International daardoor aan een gebrek aan vitaliteit? Voor zover mijn waarneming strekt, zeg ik: nee. De sfeer was luchtig, de dichters waren doorgaans goedgehumeurd en de performances hadden allemaal iets ‘eigens’, dat zeker vijf minuten bleef boeien. Terwijl ik het schrijf, denk ik: moet een dichtersavond niet iets, jawel!, ‘verontrustends’ en ‘onheilspellends’ hebben? Kwam het grimmige van de stad Rotterdam eigenlijk genoeg (ja überhaupt?) tot uiting? Het vitale gold dan ook vooral de overtuiging en het plezier waarmee de individuele dichters hun werk ten gehore brachten – niet hun thematiek, niet hun brutaliteit. De aanklacht van Hans Wap tegen een deelraadsbesluit over te kappen bomen was even zachtmoedig en humorvol als Hans Wap zelf. Presentator Arie van der Ent had het over de Rotterdamse poëzie als een verschijnsel dat al enige tijd aan het ‘feminiseren’ was geslagen, en inderdaad, het was behoorlijk gezellig, gemoedelijk, collegiaal. Voor mij was de avond een bevestiging dat de dichter anno 2009 ‘richting de maatschappij’ amper nog een spannend idee (laat staan vileine kritiek) in huis heeft, maar als individueel ‘rolmodel’ van zingeving, levensbesef en orginaliteit langs een andere (positieve) weg wel degelijk invloed uitoefent in een tamelijk depressief land. De dichter als inspirator annex oppepper, die tegen alle verwarring in probeert ‘iemand’ te zijn en produceert waar behoefte aan is: ’samenhang’ en ‘betekenis’. Geen bermbommen.
Nader kennismaken met hedendaagse, Rotterdamse dichters? Klik door naar www.uitgeverijdouane.nl en bestel de bundel ‘Dichter aan de Maas’.
In Geen categorie on 10 juni 2009 at 10:44
Na een lange werkdag is het verleidelijk om nog even een ’snackje’ te halen op TV. In de hoop dat er iets te consumeren valt dat ‘de boel’ (ergo: de toestand in de wereld) dusdanig samenvat, dat je met een minimaal gevoel van ’samenhang’ de nachtrust kunt gaan vatten. Zondag werd ik daarin positief verrast door de Duitse zender ZDF. Er zaten vier mensen op twee banken, die recht tegenover elkaar stonden. Achter dit viertal talking heads prijkte een flets décorstuk waarop de titel ‘Das philosophische Quartett’ stond afgebeeld. Nog los van de boeiende discussie over het ‘heisses wir’ (over het hete versus het koude ‘wij’, ofwel: de graad van verbondenheid in het moderne leven), viel mij het ontbreken van een talkshow-host, clown, muziek-act of andere grappenmaker op. Bij de ZDF ‘gelooft’ er dus kennelijk nog iemand (met beslissingsmacht) in het gesproken woord, in het proberen af te maken van een idee of gedachte, in het betrekken van het tv-publiek bij een abstract onderwerp als het ‘heisses wir’. Er rest geen andere conclusie dan dat de ‘cultuur’ van de Nederlandse publieke omroep – altijd hengelend naar maximale kijkcijfers – schril afsteekt bij dit kennelijke vertrouwen bij de ZDF. In Hilversum gaan de netmanagers van Nederland 1, 2 of 3 zodra ze literatuur of filosofie zien opdoemen meteen op zoek naar een BN-er die de kijkcijfers opkrikt of een tussentijdse act, die de eventuele ernst van het scherm kan jagen. Ik zou bij de volgende verkiezingen graag ZDF willen stemmen…
In Geen categorie on 10 juni 2009 at 10:27
Sorry! Excuus! Neem me niet kwalijk! Nog even ‘een toefje’ politiek (dan houd ik er weer een tijdje over op – beloofd). Vanochtend werd ik namelijk wakker met de wijze woorden van Ronald Plasterk (Radio 1) die tot het lumineuze inzicht was gekomen dat de PvdA ‘de voeling heeft verloren met de traditionele achterban’. Wélkom in de échte wereld, Ronald, denk ik dan. Dit Spuit Elf-citaat werd eergisteren vooraf gegaan door een al even Spuit Elf-achtige opmerking van collega-PvdA-minister Eberhard van der Laan. Over zijn probleemwijken meldde dit kersverse kabinetslid dat de problemen ‘nog vóór deze zomer in kaart worden gebracht’. Heel goed, Eberhard. De ‘traditionale achterban’ zag al 25 jaar geleden welke kant het opging in de oude wijken en nu, een eind op streek in de 21-ste eeuw, komt de PvdA er na ontelbare nota’s, vergaderuren en evaluaties óók eindelijk achter dat het niet helemaal lekker zit in die wijken. Ineens begin ik het stiekum bij de sociaal-democraten welige tierende geklaag over een ‘ongeduldig en verwend electoraat’ in een hééééél ander daglicht te zien. Vergeleken bij Plasterk, Van der Laan en al die andere Pappers & Nathouders van de PvdA kun je maar beter ’ongeduldig en verwend’ zijn; het betekent dat je de werkelijkheid onder ogen ziet en niet vlucht in kromtaal en vergadercircuits!
In Geen categorie on 8 juni 2009 at 17:27
Sommige vrienden en andere intimi vinden mijn ‘aanval’ op de arme Mariëtte Hamer nogal stijlloos. Ik neem geen woord terug, maar wil mijn stuk bij deze (het is tenslotte mijn eigen weblog) graag even preciseren. Ik beweer namelijk niet dat elke politicus een filmster dient te zijn, die constant de aandacht trekt en op zijn of haar hoofd gaat staan. Integendeel. Ik verfoei het automatisme dat steeds weer nieuwe sensationele kopregels, uitroeptekens en (schijn)schandalen opzoekt. Zwakstroom kan, voor een fiks aantal politici, zelfs een kwaliteit zijn, een onmisbaar serum tegen de heethoofdige media. (Dus ook voor mevrouw Hamer.) Waar het om draait is dat zij zich – per vergissing, dat kan niet anders – kandidaat heeft gesteld voor het fractievoorzitterschap van de PvdA en in die prominente rol opzichtig faalt, met name bij het weerstaan van de nogal grofgebekte Geert Wilders. Ik weet niet of het een troost is, maar zelfs de ‘ouwe’ partijrot Jan Pronk is het bleke profiel van zijn partij opgevallen. Hij wijst echter naar de verkeerde, naar Wouter Bos, die al z’n tijd stopt in het op peil houden van ’s lands financiën. Hamer is ‘aangenomen’ om het PvdA-geluid in de Kamer te laten klinken, maar het klinkt niet bij haar, het dwarrelt als een lekkend zoutvaatje uit haar mond. In de voetballerij was ze al tien keer ontslagen wegens ‘tegenvallende resultaten’, maar in de PvdA is de laatste levende ziel allang begraven en heeft niemand kennelijk de puf of het lef haar de waarheid te zeggen. Louis van Gaal zou, denk ik, één minuut nodig hebben om haar de ‘1′ af te pakken en ’20′ of ‘30′ terug te geven. Hamer is immers een geboren ‘backbencher’.
In Geen categorie on 7 juni 2009 at 21:28
Eén van de eerste lessen in de journalistiek kreeg ik van de oud-hoofdredacteur van Vrij Nederland, Rinus Ferdinandusse. Nadat ik met een goede vriend een aantal (door ons samen geschreven) columns bij VN afleverde, kreeg ik enkele weken later bij een afzeikstukje over Seth Gaaikema als commentaar dat het leuk was om te lezen (hoera! Rinus had ‘t met plezier geconsumeerd!), maar dat we hier te maken hadden met een ‘makkelijke prooi’, lees: té makkelijke prooi. Ik moet hier aan denken, omdat ik het even met u over Mariëtte Hamer wil hebben. ‘Wie?’ zegt u. En ik zeg (nogmaals): ‘Mariëtte Hamer. Fractievoorzitter van de PvdA. Zegt u dat wat? De partij die sinds jaar en dag haar ziel heeft verkocht aan talentloze doctorandussen met een slecht huwelijk.’ Ik hoor Rinus – natuurlijk – al fluisteren: ‘Hans, houd maar op. Té makkelijke prooi, die Hamer!’
Toch sla ik Rinus’ waarschuwing in de wind. Ik wil het namelijk niet over de persoon Mariëtte Hamer hebben, maar over de icoon Mariëtte Hamer. Als mevrouw Hamer dit ooit leest (en iedereen heeft zichzelf wel eens ge-Googled) wil ik haar uit de droom helpen dat ik als viliene blogger op zoek ga naar haar zwakke punten en daar, punt voor punt voor punt, onsportief met mijn moddervoeten op ga stampen. Dat doe ik (Ferdinandusse indachtig) niet, want het zou een voorspelbare herhaling van zetten zijn (en ik zou aansluiten in een lange rij van cabaretiers, en dat komt nachtrust niet ten goede). Het icoon Mariëtte Hamer (zeg maar: de Hamer als gehééél!) is namelijk veel belangrijker, interessanter en veelzeggender dan de individuele persoon Mariëtte Hamer. Het icoon Hamer legt namelijk bloot waarom steeds meer Nederlanders allerlei gekkigheid uithalen in de private sfeer van het stemhokje. Het icoon Hamer laat namelijk aan ons allen de verwoestende slijtage zien wanneer je decennia lang van vergadercircuit naar vergadercircuit, van partijbijeenkomst naar partijbijeenkomst en van bilateraaltje naar bilateraaltje hobbelt en bereid bent telkens alle stukken in je (steeds zwaardere) tas te stoppen om de volgende dag bij het agendapunt te beginnen dat de dag ervoor is blijven ‘hangen’. Het icoon Hamer is een levend voorbeeld van hoe een mens verandert van een mens in een onzichtbare aanwezigheid, een apparatsjik die ik, in het geval Hamer, graag de naam ‘zwakstroom’ meegeef. Het is altijd aanwezig (en daardoor afwezig), het doet zijn werk, het zoemt door en door en door, er zitten geen dips of hoogtepunten in en het laat zich onmogelijk beschrijven of verketteren of liefhebben. De presentatie van het icoon Hamer is niet alleen één lange toevoer van non-inspirerende zwakstroom, haar ideeën blinken eveneens uit in een totaal gebrek aan articulatie of puntigheid. Het icoon Hamer zet in op ‘zekerheid voor de mensen die dat het meest nodig hebben’ (ziet u de spaarlamp al langzaam uitdoven dankzij de Hamer-zwakstroom?) en wil bij voorkeur een eindeloze batterij ‘garanties’ voor haar achterban, zodat die onder zwakstroom elke dag in een rustig tempo (niet te snel! en met de vertrouwde sneetjes in de trommel) naar hun 35-urige baan kunnen sjokken. Ergo: het icoon Hamer vertegenwoordigt de absolute inertie. Dit icoon beneemt ons, nog vóór we de stemkaart uit de la pakken, al de illusie dat er ooit iets zal veranderen in dit f***ing kloteland, waarvan het icoon Hamer natuurlijk zal zeggen dat het er door de zwakstroom van de sociaal-democratie ‘best prettig leven is’.
PvdA, trek onmiddellijk de stekker uit het icoon Hamer!
In Geen categorie on 5 juni 2009 at 12:09
Al die ‘lieve progressieven’ in mijn omgeving zijn een dag na de Europese verkiezingen gedesillusioneerd over de 4 zetels van Wilders’ PVV. Ik snap daar weinig van. Ik vind 4 zetels voor zo’n partij nog mager. Als je kijkt hoe de euro erdoorheen gedrukt is en hoe dat alsnog met de Grondwet gaat gebeuren – dan moet je toch niet vreemd opkijken dat de mensen aan wie nooit iets gevraagd is en die structureel genegeerd worden, op de rem trappen zodra ze de kans krijgen een signaal af te geven (bij verkiezingen)? Sterker nog: als ik kijk naar ons afbrokkelende onderwijssysteem ligt het in de lijn der verwachting dat PVV-achtige komeetpartijen tot in lengte van jaren in vruchtbaar water kunnen blijven vissen. Het gegeven dat 4 van de 5 kiezers gisteren op ‘normale’ partijen hebben gestemd, mag wat mij betreft wel wat meer (positieve) aandacht krijgen. Het dramatiseren van het Wilders-fenomeen zegt meer iets over de honger naar opwinding bij de media, dan over de werkelijke betekenis van de Venlose dwarsligger.
In Geen categorie on 4 juni 2009 at 10:07
Na een wat narrig verslag (twee maanden terug) kan ik thans mijn opluchting uitspreken over de ‘actuele conditie’ van de Rotterdamse Dichtclub. Waar ik de vorige keer mijn verbazing uitsprak over de aan desinteresse grenzende slordigheid waarmee sommige poëten hun eigen werk benaderen (en het ontbreken van enig corrigerend optreden vanuit de kring der collega’s), zag ik bij allen dit keer gezonde ‘zin’ om het eigen werk café De Schouw in te slingeren. Dit leek ook meteen effect te hebben op het tempo in de voordrachten. Beelden, metaforen, grapjes, pointes – ze rolden overtuigend en voortvarend over de diverse lippen. Graag wil ik geloven dat ‘oefening kunst baart’ en dat de Dichtclub ons allen naar grotere hoogten stuwt, maar niet uitgesloten moet worden dat een programma als DWDD onbewust signalen uitzendt naar dichters in Nederland en hoe ze hun poëzie het beste kunnen brengen (fast, catchy & furious). Zie de nieuwste coryfee aan het dichtersfront: Nico Dijkshoorn. Met Stefan van Hoek heeft Rotterdam al min of meer een ‘eigen Nico’ in de gelederen, al moet tempo en werkdiscipline bij deze dichter waarschijnlijk nog ietsje omhoog om werkelijk met De Grote Dijkshoorn in competitie te treden.
Tot slot wil ik iedereen attent maken op drie aanstaande boekwerken. Allereerst verschijnt mijn tweede bundel (titel ‘De functie van Finland’) binnenkort bij Uitgeverij De Contrabas. Daarnaast zijn een drietal nieuwe gedichten van mijn hand te bewonderen in de ook bijna te verschijnen bundel ‘Dichter aan de Maas’ (Uitgeverij Douane). Verder behoor ik tot de gelukkigen die aan de slimme pocketfabriek Rainbow een gedicht mocht ‘leveren’ voor de kloeke bloemlezing ‘Op reis’. Tot na het reces!
In Geen categorie on 4 juni 2009 at 09:41
Niet spannend, wél waar: de eerste opdracht van een schrijver is goed lezen. En met goed lezen, bedoel ik: je met huid en haar durven overgeven aan zinnen, personages, verhalen. Als je dat niet – een beetje – kunt, is de kans dat je ooit iets waardevols zult schrijven klein. Zo luidt, althans, mijn altijd bescheiden mening… Het laatste boek dat me ‘met ‘huid en haar’ verslonden heeft en, dus, zeker sporen na zal laten in wat ik schrijf, is de roman ‘Het uitstel’ van Mario Benedetti. Dit verhaal over een 50-jarige weduwnaar die temidden van zijn illusieloze kantoorbestaan en de kilte van het familieleven thuis plots moet ‘overschakelen’ naar de hartstochtelijke liefde van en voor een jonge collega, is in de ware zin des woords ‘humaan’. Ik houd niet van dat woord (‘humaniteit’ is vooral een handige hengel om subsidiegeld los te peuteren), maar in het geval van deze roman wil ik een oogje toe knijpen. De minutieuze manier waarop het gevoelsleven van hoofdpersoon Martin Santomé wordt geschetst, de intelligente omzichtigheid waarmee deze ‘bange burger’ zijn kinderen en geheime liefde (Avellaneda) benaderd, alsmede de kille analyse van de machtsverhoudingen op de werkvloer, maken van ‘Het uitstel’ (in het Spaans ‘La Tregua’) een klassieker over de worsteling van de middenklasse. In combinatie met de boekhoudkundige stijl en het bijzondere oog voor wreedaardige spelletjes tussen collega’s, zie ik in dit boek een soort prelude op het cynisme van Michel Houellebecq. Wat mij in ‘Het uitstel’ het meeste treft, is de uitgesponnen rationaliteit waarmee de hoofdpersoon de emoties van zichzelf, zijn omgeving en zijn geliefde probeert te begrijpen, te respecteren en te doorgronden om er vervolgens, tegen de klippen op, mee te gaan schaken met als ontroerend einddoel om iedereen, inclusief zichzelf, te sparen. (En dat in een land, Uruguay, en op een continent, Latijns Amerika, dat bij uitstek door primaire emoties en heftige conflicten wordt beheerst!) Het maakt Santomé tot een Don Quichotte-achtige romanfiguur die de ultieme ‘middelmaat’ vertegenwoordigt. maar, dankzij zijn schepper, tegelijkertijd laat zien welk een complexiteit en sensibiliteit achter die veronderstelde middelmaat schuilgaat. Of, zoals Nick Horby, ooit zei: ‘Gewoon leven. Bestaat er iets moeilijkers?’ Vandaar dat ik vasthoud aan het adjectief ‘humaan’ en ik ongegeneerd durf te spreken van een meesterwerk. Om alvast wat te kunnen genieten, lever ik hieronder een typerend citaat:
‘Het zou kunnen dat Anibal uiteindelijk gelijk heeft, dat ik meer uit angst belachelijk te lijken dan in het belang van Avellaneda’s toekomst niet wil trouwen. En dat zou niet goed zijn. Want één ding is zeker en dat is dat ik van haar houd. Dit schrijf ik alleen maar voor mezelf op, dus het kan me niet schelen dat het banaal klinkt. Het is de waarheid. Punt uit.’
In Geen categorie on 1 juni 2009 at 20:40
Een mini-stormpje heeft de gemoederen in ‘dichtersland’ kortstondig verhit . Het ging om (sorry, voor het verkleinwoord) een manifestje, dat poogde een bloemlezinkje ‘lekker in de markt’ te zetten. De auteur was Erik Jan Harmens. De bloemlezing zag het licht onder de stoere titel ‘Ik ben een bijl’. Wat mij na het stormpje het meest is bijgebleven van dat hele manifest (dat gepubliceerd werd in de literatuurbijlage van ‘Trouw’) is dat het niet rook naar de toekomst, maar naar het verleden, naar spijkerbroekenactivisme. Ik kan het niet helpen. Bij alle roep om ‘verantwoordelijkheid’, ‘het verbeteren van de toestand in de wereld’ en de haat jegens ‘vrijblijvendheid’ zag ik steeds een bebaarde leraar Maatschappijleer uit de jaren ‘70 voor mijn geestesoog. Vanaf heden beschouw ik Harmens min of meer als de reïncarnatie van die iconische leraar, die mij poogt terug in het klaslokaal te duwen en graag versjes over arme kinderen in Afrika uit mijn pen ziet vloeien, waaruit blijkt dat ik de poëzie niet beschouw als een ‘vrijblijvend spel’. Ik ken de heer Harmens niet persoonlijk, maar in plaats van dit voorbije spijkerbroekenactivisme had ik uit zijn koker iets veel meer eigentijds verwacht, geënt op de nieuwe mogelijkheden en ontwikkelingen in de digitale eeuw. Ik had op z’n minst een flink portie cyberpoëzie verwacht, met diepe of onbehoorlijke gedachten over eentjes en nulletjes. Poëzie 3.0? Ik zou ook één of meer gedichten van Arnoud van Adrichem hebben verwacht, de dichter bij uitstek die indirect reflecteert op de commercialisering van de taal en daarmee – in het spijkerbroekenjargon van Harmens – heel erg over ‘de hedendaagse maatschappij’ schrijft. Enfin. Voorlopig geurt het nieuwste manifest in de Nederlandse poëzie dus naar denim, lang haar, zitkussens en een rondvraag. Ik zou zeggen: hoogste tijd voor een Echt Gevaarlijk Manifest….