In Geen categorie on 29 april 2009 at 20:12
Gefeliciteerd, DWDD! Als iemand die in media geïnteresseerd is (in hun werking, hun overspannenheid, hun ‘blind spots’), heeft dit programma zich, ondanks een waslijst van kritische punten (die ik met graagte heb opgeschreven), tamelijk onmisbaar gemaakt. DWDD is een soort razendsnel ‘tribunaal’, waar in F1-tempo de opmerkelijkste, schandaligste, kleinste, grootste en magerste mediamomenten van de afgelopen 24 uur worden vertoond en door gasten/commentatoren van dienst de hemel in worden geprezen of keihard verbannen naar de vuilnisbak. DWDD heeft daarmee een essentiële breinfunctie deels overgenomen, namelijk: het scheiden van Zin & Onzin. Door het media-overschot heen selecteert en interpreteert DWDD er lustig op los, vaak ook nog op een manier die heel - braakwoord – entertaining is. Zelfs ik – als voormalig criticus van het programma – moet toegeven dat DWDD er steeds beter in slaagt de juiste vragen te stellen en de zeis precies te laten neerdalen waar de schoen wringt. Twee voorbeelden.
1. Het interview met (binnenkort) voormalig advocaat en (binnenkort) kersvers VARA-voorzitter Kees Korvinus. Na een halve minuut interview heeft Matthijs reeds afdoende aangetoond dat deze jurist geen bal van televisie weet. (Knap gedaan.). De kijker zit op het puntje van zijn stoel: wat gaat de nieuwe hotemetoot nog meer voor missers produceren? Dán komt ‘t! Op driekwart van het gesprek vraagt Korvinus – met de naturèl van een argeloze ambachtsman – bij welke zender sidekick Beau van Erven Dorens ‘ook alweer zit’. Matthijs en Beau liggen in een acute stuip! Hoe is ‘t mogelijk? Ze zitten met een Neanderthaler aan tafel, die niet weet bij welke zender half- god Beau in dienst is en de man wil ook nog in Hilversum gaan werken! Matthijs en Beau kijken elkaar aan met een grijns alsof ze dit nog jaren met heel veel pret aan elkaar en aan hun vrienden zullen doorvertellen. Waarom ik dit een prachtig moment vindt? DWDD laat hier glashelder de verdorvenheid van de celebrity-cultuur zien. Meneer Korvinus is een eerzaam man met een serieuze taakopvatting, die geen tijd heeft voor Beau en zijn malle spelletjes. Hij wordt ‘live’ weggezet als een loser. Net als al die andere mensen in NL met een serieus beroep en een serieuze taakopvatting. (Misschien overdrijf ik, maar ik zie een rechte lijn tussen dit gebral en bezuinigingen op de thuiszorg.) Een beter bewijs dat TV tegenwoordig alleen nog om TV draait (en tot in zijn diepste wezen narcistisch is), is niet denkbaar. Dank DWDD voor het leveren van het snoeiharde bewijsmateriaal.
2. Het optreden van professor Heertje vanavond Een prachtige ‘tv-miniatuur’ waarin ’de oude professor’ mag getuigen van zijn liefde voor antiquarische boeken en de economische wetenschap. En zijn gebrocheerde exemplaar van ‘Das Kapital’ van Karl Marx! Heertje toont succesvol aan dat het marxisme nog springlevend is en laat, door het voorlezen van een passage, en passant zien dat Marx óók een literator was (een dichter misschien wel). Heertje weet hoe het werkt en deelt aan het einde van zijn optreden de mokerslag uit aan de nieuwe ‘kapitalistische klasse’, de CEO’s en CFO’s over wier bonussen we dagelijks in de krant lezen (‘maar ze zitten tegenwoordig ook bij de woningbouwcorporaties, hoor!’ stipuleert Heertje terecht). ”En weet je wat het gekke is van het kapitalisme?” vraagt de gepensioneerde econoom retorisch. ”Hoe groter de wanprestaties die je levert, hoe hoger de salarissen die je ermee verdient.” Bám! Ráák! Heertje maakt via zijn optreden hele economie-katernen, jaargangen van managementtijdschriften en een bibliotheek vol huichelachtige zakenlectuur overbodig. Dat is DWDD op z’n best: opruiming in je hoofd.
In Geen categorie on 24 april 2009 at 21:14
Ik behoor tot de categorie ‘verse bejaarden’ die de eerste landing op de maan, 21 juli 1969, nog bewust heeft meegemaakt. Los van de gebeurtenis zelf is mij vooral de opwinding uit die tijd bijgebleven, het collectieve gevoel van ‘alles is mogelijk’; de maan was bij wijze van spreken een ‘tussenstation’ naar nog veel grootsere daden. De verwachting was op z’n minst dat we – de mensheid – spoedig andere planeten zouden veroveren en, let maar op, voor je ‘t wist hadden we een bemande pendeldienst die ons op een toeristisch tochtje door het universum mee zou nemen. En als we eenmaal zo ver waren, zouden we – zo was het idee – vast ook betere en fatsoenlijker mensen kunnen creëren. Lang leve de Vooruitgang!
Hoe anders is het gelopen!!!
Wie praat er tegenwoordig nog over dergelijke ambities en vergezichten? Met de huidige klimaatdiscussie lijkt het centrale motto ‘Eigen planeet eerst!’ Wát een bekrompen teringzooi! Ik heb het gevoel dat de meesten van ons al blij zijn als ze na een drukke dag even rustig op de bank kunnen liggen en ‘contact’ kunnen maken ‘met zichzelf’. Het stikt niet voor niks van de cursussen ‘Mediteren’ en ‘Nieuwe Spiritualiteit’; we zijn op zoek naar evenwicht, naar balans, naar een mespuntje rust, een flinterdun plukje geluk. Ondertussen kunnen Pluto, Saturnus, Jupiter en Uranus ons gestolen worden – als de eigen navel maar in een goede baan om ons heen draait!
Overdrijf ik? Is het nu werkelijk zo anders dan toen? Ach, ik weet ook wel dat de voornaamste reden voor Amerika om op de maan te landen niets anders was dan een kinderachtig ‘lekker puh’-gevoel. Een lange neus trekken naar de Sovjet-Unie, de vuige communisten, dáár ging ‘t om! En dat mocht wat kosten… Achteraf moet je dus vaststellen dat die maanlanding weinig vertelde over de progressie in de wetenschap en veel over de ambitie van de Verenigde Staten om de vijand een mentale tik te geven. Wie toen had voorspeld dat het in de wereld van 2009 toch vooral over God en Allah ging, over hun aanhangers die elkaar constant wilden afslachten, had van menigeen een meewarige blik gekregen. Grote vraag: zijn we anno 2009 inderdaad bezig naar ’AF’ terug te gaan of moeten we blij zijn met onze wereld, de val van het communisme en de Grote Ideologieën?
In Geen categorie on 22 april 2009 at 12:41
Bij de voordeur behandelen ze je met alle égards, bij de achterdeur schoppen ze je naar buiten. Dat is een vet cliché over de media – en DUS is het waar. Gelukkig krijg je deze behandeling niet alleen als je een anonieme gast uit Delfzijl bent of een professor uit Groningen, maar ook als je jezelf, zoals Mart Smeets, de grootste tv-coryfee van Nederland vindt. Thans maken wij mee hoe het ‘oeuvre’ van Onze Nationale Opblaaspop door dichter/columnist Nico Dijkshoorn gereduceerd wordt tot die ene uitdrukking: ‘Mag ik dat zo zeggen? Ja, dat mag ik zo zeggen!’ Door de parodie van Dijkshoorn schiet je sinds kort automatisch in de lach als je Smeets ziet, en dat, zo blijkt, vindt Smeets helemaal niet leuk. Deze meneer ervaart nu zelf het gewetenloze en allesverslindende karakter van het mediacircus. Zodra men is ‘uitgekeken op je kunstje’ blijkt men nooit te beroerd om je naar de achterdeur te schoppen en je daar nog een gezellige trap na te geven. De komende jaren zullen we getuige zijn van een tegenstribbelende Smeets, die telkens wil bewijzen dat hij nog dichter bij de voordeur is dan bij de achterdeur. De rest van Nederland weet beter.
In Geen categorie on 21 april 2009 at 20:43
Samen met collega Erik Lindenburg boog ik me gisteren in café Verhip over de vraag of wij met het consumentenprogramma ‘Werktdat?’ (Radio Rijnmond) nu professionele of amateuristische radio maken. We waren het er snel over eens dat noch het etiket ‘professioneel’ de lading dekte, noch het etiket ‘amateuristisch’. Als je naar de logistiek kijkt en de gebrekkige ondersteuning kun je niet anders concluderen dan dat we redelijk op de bonnefooi – en dus niet-professioneel – door onze onderwerpen moeten ‘zwerven’. Tegelijkertijd constateren wij (maar hoe betrouwbaar ben je als jury van je eigen prestatie?) dat juist die gebrekkige voorbereiding het beste in ons naar boven haalt: we associëren, improviseren en schmieren er duchtig op los en ons bereikt regelmatig het compliment dat we ‘zo laagdrempelig’ zijn en dat het als luisteraar lijkt alsof je samen met ons ‘aan de keukentafel zit’. Zelf voelen we ons – gelukkig maar! – nog steeds prettig in het (boeiende) schemergebied tussen (te?) strak professionalisme en amateuristisch aankloten, en ik heb voor onze manier van werken maar gelijk een nieuwe term bedacht: ánders-professioneel! Luister via de site of we die naam waardig zijn, zie onder het kopje ‘vorige uitzendingen’. (Stiekem vinden wij ‘anders-professioneel’ een veel interessanter terrein om te verkennen dan ’gewoon professioneel’.)
www.werktdat.nl
In Geen categorie on 21 april 2009 at 20:12
Hupsaké! En wéér een flinke stoot media-aandacht voor ‘de’ poëzie! Na het geharrewar rond de Dichter des Vaderlands krijgen we nu een soort Idols-achtige formule rond de poëzie over ons heen, genaamd de Nationale Gedichtenwedstrijd. Op zoek naar de Susan Boyle van de Dichtkunst? Het concept zit redelijk slim in elkaar: iederéén kan insturen (anoniem), voor elk meedingend gedicht moet je 3 eurootjes betalen en in de jury zit een mengeling van ‘deskundigen’ (Gerrit Komrij) en popi jopi’s (Giel Beelen). Het beste gedicht wordt beloond met 10.000 euro (dat verdient Giel in een middag!). Eigenlijk kun je als ‘cultureel bewuste burger’ niet tegen zo’n formule zijn, sterker nog: wat zou je ertoe moeten drijven om er bezwaar tegen aan te tekenen? Ik zie zelfs een gelukkig huwelijk ontstaan tussen nieuwe technologie (die ons inhoudelijk meer keuze geeft dan ooit) en poëzie (die ook uitgaat van de onbeperkte keuze, maar dan in woorden). Samen vormen ze een interessant ‘front’ tegen het zwart-wit denken dat in diverse andere sectoren nog dominant is (zie de kranten, zie de opiniebladen, zie het gros van de televisieprogramma’s). De toekomst is aan de structurele verwarring, aan het eindeloze (zelf)onderzoek en DUS aan de poëzie. Schrik niet: ik vind dit een gunstige ontwikkeling en ben benieuwd of ‘den mensch’ werkelijk in staat is oude zekerheden los te laten en een ‘eigen werkelijkheid’ te creëren. Of klink ik nu als een docent ‘Creative Writing’ met teveel ecstasy in zijn bloedbaan?
www.nationalegedichtenwedstrijd.nl
In Geen categorie on 13 april 2009 at 16:04
Het succes van de rubriek ‘De TV draait door’ (onderdeel van DWDD) is dat alle kijkers zichzelf na het serietje bloopers en miskleunen weer 1 dag lang kunnen feliciteren met het feit dat ze er niet in zaten. Vooral de eindeloze domheid van belspelpresentarices brengt de meest sardonische lach in Matthijs naar boven (en in die van zijn kijkers). Het ‘zakelijk genie’ John de Mol heeft dit scoringsmechanisme – zappend als een onrustige hyena -logischerwijs onmiddelijk omgezet naar een format voor commerciële tv, getiteld ‘Lekker slim’. Daarvoor heeft hij extreem domme (maar prettig ogende) meiden geselecteerd die zich, op aanwijzing van de regie, nóg dommer voordoen dan ze in werkelijkheid zijn (‘Angela Merkel klinkt helemaal niet Duits’) en de rest van Nederland (inclusief John de M. zelf) het gevoel geeft dat men qua intelligentieniveau alsnog rijp is voor een gymnasium-diploma. Het spelelement van ‘Lekker slim’ kunnen we overslaan – dat is er één van dertien in een dozijn. Blijft over de constatering dat waar televisie ooit begon de mensen ‘aan het denken te zetten’ of hun ‘horizon te verbreden’, ze nu door de publieken (DWDD) én de commerciëlen (Lekker Slim) eendrachtig met hun beperktheid worden gefeliciteerd. In Azië hoor je ze schateren en je moet niet vreemd opkijken als John de Mol ooit een prominente rol gaat spelen in een geschiedkundig werk over de intellectuele ineenstorting van ‘pretpark Europa’ begin 21-ste eeuw.
In Geen categorie on 13 april 2009 at 15:31
Hoera! Via Capello 23 (Christiaan Weijts) is achter de kiezen! Met het ‘hoera!’ bedoel ik dat ik eindelijk de tijd had om het uit te lezen, NIET het feit dat het uit ís… Want zeker uit de finale van deze roman (of moet ik zeggen: dit tractaat?) blijkt dat alle ‘omwegen’, die de auteur je uit didactische motieven heeft laten afleggen, uiteindelijk meer dan de moeite waard zijn. Het briljante van dit boek is dat Weijts zijn persoonlijke en eigentijdse fascinatie voor porno hand in hand laat gaan met zijn kunsthistorische bevlogenheid en die dan ook nog eens succesvol mengt met het vettige straatrumoer van de MTV-generatie, die alles letterlijk neemt en ‘cash afrekent’ in hoeveelheden piercings, tattoo’s en ranzige neukpartijen. Zeker met het oog op het laatste waande je je als lezer soms in een erudietere versie van een ouderwetse Giphart-roman vol gillende hormoontjes. Inmiddels is ’Via Capello 23′ genomineerd voor De Gouden Uil (interessant, waarom niet voor de Libris die met matige nominaties voor de dag komt?) en is het laaiend interessant of ook de universitaire ‘laag’ in het boek – de universitaire wereld wordt treffend neergezet als een steeds meer naar rendement hongerend monster, waaraan kleinburgerlijke wetenschappers, uit angst voor verlies van status en inkomen, lippendienst bewijzen - daarmee een bekroning krijgt, of dat de jury zich door deze knalharde zedenschets geschoffeerd voelt. Voor zover mogelijk en passend, wil ik Weijts langs deze (digitale) weg feliciteren met zijn meesterproef. De enige ‘kritiek’ is dat ik hem bij een volgend boek een Angelsaksisch-strenge eindredacteur toewens, die plottechnisch wat meer ongeduld aan de dag legt en kwistiger met zijn zwarte viltstift kruizen zet door al te breedvoerige zijpaden. Voor de rest: een 9,5 met een griffel!
In Geen categorie on 8 april 2009 at 08:30
Mensen die mij een beetje kennen weten dat ik, plat gezegd, een hekel heb aan de pedante en zelfingenomen journalist Francisco van Jole. Ik ben daar niet trots op, want op de één of andere manier lukt het me niet zijn persoon los te koppelen van zijn werk, gooi ik het op één hoop en voel ik, negen van de tien keer, niks dan diepe weerzin. Toch blijft Van Jole – nog los van zijn irritante zelfbewondering en mijn machteloze ergernis – enorm zijn best doen zichzelf te diskwalificeren en is het eigenlijk onbegrijpelijk dat zijn zogenaamde ‘mediacolumn’ in het programma ‘De Leugen regeert’ wordt gehandhaafd. Maar ja, de VARA, hè, het zal wel onder het kopje OPVOEDEND vallen. En onder dat kopje mag je ‘de media’ (let op de generalisatie) van van alles betichten, mag je met zevenmijlslaarzen door de wereld- en tv-geschiedenis marcheren, mag je omgekeerde agitatie bedrijven en mag Van Jole zich, kortom, van methodieken bedienen waar hij zijn vijanden (‘de media’) nu juist vol verontwaardiging van beticht. Gisteren moesten we in een broddelwerkje van een paar minuten overtuigd raken van het feit dat we, ‘de media’ dus, geobsedeerd zijn door extremistische moslims en dat we hen, foei!, gelijk stellen aan ‘dé moslim’. Als een Goebbels in het kwadraat laat Van Jole wat ondersteunende fragmenten zien en – húp! – de conclusie is wederom met een leger aan uitroeptekens getrokken. Meng er wat beelden door van een sekte als Bhagwan en de nóg engere sekte van meneer Jones (conclusie: extremistische moslims zijn niets meer dan een soort waanzinnge sekte) en de zwart-wit wereld van Jole, inclusief het beschuldigende vingertje, is weer in balans. Leerlingen op een VMBO die knippen en plakken als Van Jole krijgen een dikke onvoldoende, maar bij de VARA mag deze jongen zijn ’scoringsdrift’ (want dát is ‘t, niets anders) blijven botvieren ten koste van elke nuance. En het állerergste is: hij gaat er week na week tevredener bij kijken.
In Geen categorie on 7 april 2009 at 20:18
Dit is een tijd waarin ze achter je rug om trottoirs, heggen, bomen en prullenbakken verplaatsen.Tastenderwijs loop je door de wereld – want niets is zeker meer. Volgens een bijdrage op De Nieuwe Reporter, worden alle traditionele media ‘bedreigd’ door verder gaande versplintering van vraag en aanbod. Remedie? Als medium met toekomst moet je aanknopen bij ‘het gesprek’ of ‘een gesprek’ dat in de maatschappij of een bepaalde doelgroep al gaande is. Als je in zo’n gesprek geen toegevoegde waarde hebt – zeg maar: het lukt je niet om een steen in de vijver te gooien en dat gesprek een andere wending te geven – dan ben je op weg naar de uitgang. Ik zit me onmiddellijk af te vragen in welk ‘gesprek’ dit weblog een cruciale rol speelt. Mijn angst: in geen enkel. Vraag: moeten media niet nieuwe gesprekken/gedachten in gang zetten, in plaats van ’slechts’ aanknopen bij gesprekken/gedachten die er al zijn? Ik vind van wel. Maar het levert, qua geld, waarschijnlijk niets op. - Wie nadenkt, is arm. Of klink ik nou te zielig?
www.denieuwereporter.nl
In Geen categorie on 5 april 2009 at 21:15
Mensen die weten dat je je wel eens ‘bezondigd’ aan het schrijven van een gedicht vragen vaak hoe je nou ‘geïnspireerd’ raakt. Impliciet rekent men na zo’n vraag op een lang en geheimzinnig antwoord, deels omdat degene die de vraag stelt ernaar verlangt ’onderdeel’ te worden van het geheim (‘zo, nou weet ik ook eindelijk hoe het werkt’), deels omdat het dikwijls een opmaat is naar een gesprek over dat er – je weet wel – ‘meer is tussen hemel en aarde’. Meestal speel ik het spelletje gewoon mee en geef ik het mijns inziens gewenste lange en geheimzinnige antwoord, maar hier, op dit weblog, laat ik het masker met graagte vallen. Er is namelijk niks geheimzinnigs aan die inspiratie (of althans: niet zoveel): ideeën of beelden die ik gezien of gelezen heb (en die ik de tijd gun om tot me door te dringen – zou dat ‘het geheim’ zijn?), zetten mij aan tot interpretatie, nuancering, overdrijving, stilering, schoffering of decodering en dat kan leiden tot een gedicht, een verhaal of een essay. Het komt er dus op neer dat ik een tekst of een film of een denkbeeld of een Idee áchter zo’n tekst, film of denkbeeld ‘omwerk’ tot iets nieuws, iets dat mijn eigen visie erop of mijn verbazing erover weergeeft. Ik zeg niet dat alle inspiratie zo werkt (ik ben, tenslotte, geen wetenschapper), maar ik denk bijna zeker te weten dat veel ‘Kunst’ een afgeleide is van kennis en inzicht over andere kunst en dat dit zelfbevruchtende karakter in de massamedia wordt verdoezeld. Daar, voor het grote publiek, ’spelen’ de kunstenaars ’het spelletje mee’ en doen ze net of al die kunst uit hun ziel of één of andere kosmische kracht – waarmee ze op wonderbaarlijke wijze ’in contact’ staan – tevoorschijn komt. Ik zeg: bullshit! Kunst = ‘gewoon’ hard werken, keihard ploeteren, alleen mag het publiek het zweet niet ruiken. Dat beïnvloedt de verkoop negatief. Shhht!
In Geen categorie on 3 april 2009 at 10:08
Een paar posts terug deed ik laaiend enthousiast verslag van mijn kennismaking met Christiaan Weijts’ tweede roman, ‘Via Capello 23′. Ik ben nu halverwege en constateer dat het boek de verwachtingen deels inlost, deels ook niet. Ja, het is stilistisch weer superieur geschreven. Ja, je ‘glijdt’ als lezer supercomfortabel in het ranzige universum van de auteur. En ja, als commentaar of satire op onze huidige maatschappij kent het zijn gelijke momenteel niet. Maar vaart? Nee de vaart is er na een bladzij of 80 behoorlijk uit. We worden als lezer langs elke gedachtenkronkel, elk kroegbezoek en elk mailtje gestuurd dat de hoofdpersonen op hun conto schrijven. En dat de auteur alle steegjes en universiteitsbobo’s van Leiden kent, word je ook iets te overdreven ingepeperd. Als je er oog voor hebt, begin je Weijts zelfs te ontmaskeren als een door de uitgever te schaars afgeremde ouwehoer. Maar ik ga dóór met deze roman, da’s duidelijk – want dit is zonder twijfel één van de meest getalenteerde schrijvers van het moment. Opvallend is wel dat critici die traagheid in de roman niet aanroeren, blij als ze – waarschijnlijk – zijn dat er eindelijk weer eens een jonge auteur opstaat die de ‘Grote Greep’ probeert, dat wil zeggen: mens & maatschappij in een lijvige roman probeert te duiden, inclusief ‘betekenislagen’.
Enfin. Als ik het boek uit heb, zal ik een eindverslag posten.
In Geen categorie on 2 april 2009 at 07:52
Gisteren heb ik weer eens meegedaan aan de zogenaamde ‘Dichtclub’ in De Schouw te Rotterdam. Setting: beginnende en gevorderde dichters die voor een paar vrienden en bekenden nieuw werk voordragen om zich – naar ik aanneem – de kneepjes van de voordrachtkunst eigen te maken. Ik heb nu drie of vier keer meegedraaid en het interessantste deel van de avond vormt niet zozeer de poëzie zelf (die is vaak nogal vlak), maar de manier waarop dichters met hun werk omgaan. Eén van de dichters kwam naar voren, keek licht verbaasd naar zijn verfrommelde A4-tjes, mompelde ‘mmm, laat maar’ en spitte verder in zijn stapeltje. Een ander probeert zijn gedicht serieus in te leiden middels een anekdote en een derde raffelt het werk af met één hand nerveus gestoken in een te krappe broekzak. Ikzelf probeer (met de nadruk op: probéér) een zo rustig mogelijke presentatie te organiseren met een ‘lijn’ erin, waarbij de gedichten bijna illustraties zijn van een groter verhaal. (Naar mijn gevoel ging ik gisteren tóch weer te snel.) Wat ik erg jammer vind, is dat de Dichtclub ogenschijnljk geen enkele aanstalten maakt het niveau te verbeteren of serieus te reflecteren op wat er wordt voorgedragen, waarschijnlijk vanuit de romantische gedachte dat alle dichters ‘uniek zijn’ en je ze ‘respecteert’ door ze niet lastig te vallen met kritisch commentaar. De vraag is dus, wat mij betreft, hoe lang het nog zin heeft om aan dit soort bijeenkomsten mee te doen. Hoewel door de kredietcrisis mikpunt van minachting en spotlust, ben ik érg voor de Angelsaksische kijk op Leven & Literatuur, dat wil zeggen: ‘if it stinks, it stinks’ – daar helpt geen zwak applausje tegen. Positieve uitzondering was gisteren Iris Brunia – zij was ‘debutant’ op de Dichtclub, maar maakte meteen indruk met zowel de kwaliteit van haar werk als de onnadrukkelijk-nadrukkelijke manier van voordragen. Ook Ko Norderisk verraste met een (quasi?) spontane voordracht van vrijmoedige streetwise-gedichten uit zijn poëzieklasje in Delfshaven. En ook aan de opsomming van onzinnige kanons van de man in regenjas beleefde ik plezier (‘de kanon van de beste Nederlandse voetballers, spelend bij een Spaanse club’, of zoiets…), dus het was niet één en al mineur. Tot slot: wat opvalt is hoe ontstellend simpel de kwaliteit van een dichter eigenlijk te bepalen is; zij die enige blijk geven van historisch besef en de moeite nemen het werk van andere dichters met aandacht te lezen versus zij die ogenschijnlijk nog nooit een bundel serieus open hebben geslagen, vervolgens het publiek tarten met grote maar lege woorden en na hun optreden met een haast blasfemische opluchting terugkeren naar hun plek.