Hans van Willigenburg

De rechtsreekse lijn van Luyendijk naar Roemer

In Geen categorie on 26 januari 2012 at 01:56

Op deze plek heb ik al eerder waarderende woorden gewijd aan het werk van journalist Joris Luyendijk. Omdat er, in het algemeen gesproken, al genoeg beweging en dynamiek in de hedendaagse wereld is en je ‘s ochtends steeds vaker opstaat met het gevoel dat er wellicht crises bijgekomen zijn of zomaar weggestreept kunnen worden, verval ik – hopelijk op een positieve manier – in herhaling. Want Joris’ nieuwste project, het Banking Blog voor The Guardian, is er alweer één om je vingers bij af te likken. In geanonimiseerde interviews met mensen uit het bankwezen dringt Luyendijk met een o zo accuraat pennetje bewonderenswaardig precies door tot wat je de ‘ziel van de goedbetaalde werkslaaf’ zou kunnen noemen.

Het mooie aan de, zoals Joris het zelf noemt, ‘antropologische benadering’ van het bankwezen is dat hij de beschuldigende vinger – die richting de banksector nu eenmaal snel geheven wordt – volstrekt achterwege laat. Zijn doel is louter erachter te komen hoe de mores in bankkringen in elkaar steken en hoe het kan dat hele gemeenschappen van tamelijk tot zeer slimme mensen collectief de weg zijn kwijtgeraakt en, onder meer, aan het handelen zijn geslagen in producten die ze zelf allang niet meer begrepen. Wat allereerst opvalt als je een aantal interviews leest, is dat er een vreemd soort solidariteit of lotsverbondenheid heerst tussen beloftevolle bankemployees die in de dagelijkse praktijk elkaars concurrent zijn. Alsof we, achter de facade van roddel en keiharde concurrentie, zicht krijgen op een hersenloze kluwen breinwerkers die eensgezind aan de coke hangt. En niemand, maar dan ook niemand, die het in zijn hoofd haalt om te beweren dat die drug niet lekker of gevaarlijk is, al was het maar omdat de roes van de coke ongelofelijk aangenaam en verslavend is.

De bekentenissen gaan soms zo ver dat blijkt dat bankiers, bedwelmd door hun eigen cokewalmen, zich structureel ongemakkelijk blijken te voelen tussen ‘gewone mensen’, omdat zij een onwenselijke relativering of ontkrachting zijn van de roes waar ze in zitten. Een bankvrouw zegt in één van de interviews over haar vriendje, die bij dezelfde bank werkt, dat hij zowat gaat hyperventileren als ze samen een fish&chipszaak binnenlopen en dat hij, volgens haar, liever honderden ponden voor zijn patatje afrekent dan de schamele prijs die het wérkelijk kost. Het eerste bevestigt zijn status als geslaagde jongen en geeft hem een goed gevoel, het tweede is een ontkenning daarvan en stemt somber. Bovendien wordt het vriendje gedurende het bezoek achtervolgd door de angst dat een collega hem in de fish&chipszaak zal aantreffen en dat daar in de ‘dealing room’ langdurig grappen over gemaakt zullen worden, als zijnde een minderwaardige locatie om je te bevinden. Wie dit leest, begrijpt in één klap hoezeer bankbeloften, en zeker de mensen boven hen, van de werkelijkheid zijn afgedwaald. En dat ze de morele grens om zonder enige scrupules hele bedrijven, landen of beschavingen via een afwaardering of financiële trucages in het verderf te storten allang en breed zijn overgestoken. Gewone mensen zijn immers angstaanjagend? Ze vormen een regelrechte smet op de eventuele glorie die jij tegemoet gaat! Dus waarom ze redden, of mededogen met ze voelen? En het onthullende is: de geïnterviewde bankjongens en -meisjes lijken niet uit overtuiging of kracht te handelen, maar uit zwakte. Ze zijn zich pijnlijk bewust van hun inwisselbaarheid en in zekere zin stik jaloers op mensen met een vak, een talent, een geschiedenis, een eigen territorium; iets dat ze zelf – behalve een hoog inkomen – niet bezitten. Een gemiddelde bankjongen betoont zich door de ogen van Luyendijk dermate arm van karakter en, tegelijkertijd, zo indringend verslaafd aan zijn inkomen en status, dat hij of zij in vrijwel honderd van de honderd gevallen zal gehoorzamen aan de bestaande hiërarchie binnen de bank. Als je ontslagen wordt, ben je namelijk alles maar dan ook alles kwijt en daal je af naar de ergst denkbare straf: anonimiteit, ‘gewoonheid’. Deze verbijsterende vorm van kadaverdiscipline, zo laat Joris zien, geldt in principe voor de hele banksector: van hoog tot laag. Het is een hoogopgeleide horde lemmingen. Wat zich zelfverzekerd en arrogant door de menigte beweegt, de juiste diploma’s heeft, zich in dure pakken hijst en wegspuit met de meest prestigieuze auto’s, is in werkelijkheid een hoopje angstzweet met een gestaald omhulsel.

Wat naast de aard en de sfeer van de verschillende bekentenissen zo veelbetekenend aan het Banking Blog van Luyendijk is, is de ogenschijnlijke parallel met de mechanismen op een doorsnee kantoor of, meer algemeen, met de normen en waarden die we in de moderne, Westerse maatschappij voor goed en nastrevenswaardig houden. Carrièrezucht, materialisme, lange werkuren, onberispelijke kleding: de bankwereld is een nagenoeg perfecte weerspiegeling van de droomwereld zoals we die niet alleen in commercials gepresenteerd krijgen, maar – tegenwoordig – ook in lifestylebijlagen van zogenaamde ‘weldenkende’ kranten (ja, ik doel ik hier op het NRC). Het is een cultuur waarin zaken als ‘snel reageren’, ‘jezelf positioneren’, ‘jezelf herpositioneren’, ‘een nieuwe uitdaging aangaan’, ‘het beste uit jezelf halen’ en ‘op zoek gaan naar nieuwe energie’ in de verste verte niet meer de lachlust opwekken of als narcistisch worden gezien, maar als doodernstige doelen zonder welke je bijna al bent afgehaakt in de strijd om aandacht en aanzien. En dan heb ik het nog niet eens over het nerveuze getwitter dat in hippe, moderne kringen tot semireligie is verheven.

Natuurlijk. Ik hoor de witteboordenelite al schallen dat een vitale maatschappij talent moet mobiliseren en stimuleren en dat een land niets wijzer wordt als we allemaal, in een collectief coma van zelfgenoegzaamheid, op de bank voor de buis gaan liggen: arm aan prikkels en dromen. En dat we, in twittertermen, niet verder komen met zogenaamde ‘vooruitgangshaat’. Maar feit is en blijft, dat de door Luyendijk dodelijk geportretteerde biotoop van het bankwezen bij minder bonussen en minder korte termijn beloningen heus voldoende aantrekkingskracht zal blijven houden op ‘den ambitieuzen medemensch’ en, tegelijkertijd, veel minder maatschappelijke schade zal kunnen aanrichten. Wat mij na intensieve lezing van het ‘Banking Blog’ vooral trof, was de logica van de tegenreactie. Uiteindelijk trekken kiezers een streep in het zand en herkennen ze, bijvoorbeeld, dat de PvdA, met een fata morgana als ‘De Derde Weg’ voor ogen, decennia lang de belangen van de persverse bankwereld heeft verdedigd. Zie de recente trackrecord van Wim Kok, die zijn ING-kliek op kosten van de belastingbetaler door de eurocrisis poogt te slepen. Als een doorgaans toch niet onzinnige eminence grise als Kok zó openlijk zijn neus ophaalt voor zijn eigen achterban, als het zover is dat hij daarmee denkt weg te komen, ben je een naïeveling om te veronderstellen dat het electoraat nog wezenlijk geïnteresseerd is in partijprogramma’s of doorrekenmodellen van het CBS. Kiezers ‘ruiken’ momenteel dat de SP (en in mindere mate de PVV) de laatste strohalm is om zich aan de mensvijandige dynamiek van het flitskapitaal te ontworstelen, hoezeer Jort Kelder ook waarschuwt voor de ‘desastreuze plannen’ van de tomatenpartij.

Denk ik dan aan revoluties en drastische omslagen bij volgende verkiezingen? Ja, maar niet zo drastisch als de peilingen nu aangeven. Ik verwacht dat gevestigde partijen – je ziet het nu al bij het CDA – breed en slim genoeg zijn om zich tijdig los te weken van de laatste restjes paarse globaliseringsretoriek en aan het graaien achter plexiglas paal en perk te stellen (al vertrouwen veel kiezers de middenpartijen niet meer, juist vanwége hun innige banden met het financiële systeem). Om electoraal succes te behalen kun je als politicus de komende jaren maar beter een voetbalkantine met aaibare vrijwilligers bezoeken dan je op de trappen van één of ander bankkantoor te laten spotten. Het Banking Blog van Joris Luyendijk laat haarscherp zien dat het casinokapitalisme zijn tot de verbeelding sprekende elementen heeft, maar louter al om haar innerlijke leegte qua macht en invloed geruime tijd op de reservebank gedumpt moet worden. Of: hoe een belangrijk journalistiek project (Joris Luyendijk) een ideale verklaringsgrond biedt voor de hausse rond een partijleider (Emile Roemer) die het bankwezen inderdaad naar het strafbankje wil verwijzen en die je ook nog eens gelooft als hij dat zegt.

(dit betoog verscheen eerder op DeJaap.nl en VK.nl)

Willem Thies over ‘Objectief verzuipen’

In Geen categorie on 24 januari 2012 at 10:50

Medio 2008 debuteerde ik met de bundel ‘Objectief verzuipen’ (DeContrabas), op Poëzierapport besproken door criticus Willem Thies. Omdat genoemde site binnenkort uit de lucht gaat, neem ik – met expliciete toestemming van genoemde recensent – de tekst van deze recensie op mijn persoonlijke weblog over. Poëzierapport had een langer leven verdiend, en ik dank Willem Thies voor zijn doorwrochte recensie.


In Nederland vinden anekdotische gedichten (net als korte verhalen, overigens) minder waardering dan in Amerika. Bekend beoefenaar van het genre aldaar is bijvoorbeeld Charles Bukowski, maar ook vallen onder anderen te noemen: d.a. levy, David Trinidad, Harold Norse, William Burroughs, Alan Kaufman, Luis J. Rodriguez, Bob Flanagan (toegegeven, de namen klinken niet allemaal even Amerikaans). Misschien is deze algemenere acceptatie van het anekdotische gedicht te danken aan een veel rijkere en vitalere underground aan de andere kant van de oceaan – in Nederland is er nauwelijks sprake van een serieus te nemen underground –, waarvan nu en dan iemand tot de mainstream doordringt. Misschien heeft het ermee te maken dat Bukowski in zijn land veel jonge dichters beïnvloed heeft en nóg beïnvloedt; in Nederland is die invloed aanzienlijk minder sterk, terwijl een vergelijkbare ‘eigen’ dichter ontbreekt.

(Sta mij hier een uitweiding toe, een nuance: het anekdotische gedicht kán in Nederland ook rekenen op instemming, en zelfs bejubeling. Zo opent Varkensroze ansichten van Mustafa Stitou, in 2003 terecht met de VSB-poëzieprijs bekroond, met een aantal typisch anekdotische gedichten, waarvan de bouwsteen eerder de zin dan de regel vormt. De bundel eindigt overigens met meer ‘poëtische’, bezwerende gedichten als ‘Niet samen scheiden we licht en donker’ en ‘Affirmaties’, waarin hoofdletters en interpunctie ontbreken. En zelfs een alom gewaardeerd ‘zingend’ dichter als Tsead Bruinja – voor wie duidelijk de regel, en niet de zin, als bouwsteen van zijn poëzie fungeert, en die categorisch weigert hoofdletters en interpunctie te gebruiken – laat vanaf zijn bundel Batterij meer en meer het anekdotische element in zijn gedichten toe. Kortom: het anekdotische wordt door dichters niet principieel uitgebannen, en door lezers en critici niet principieel afgekeurd. Ik wil hier enkel een tendens constateren, en daarbij chargeer ik.)

Nederland is een anekdotisch dichter rijker. Hij heet Hans van Willigenburg (1963), een andere dan de Hans van Willigenburg (1942) van de KRO en Koffietijd. In de Contrabas-reeks verscheen onlangs zijn poëziedebuut, Objectief verzuipen.

De gedichten zijn geschreven in een directe, gevatte stijl: recht voor zijn raap, no-nonsense – Van Willigenburg komt uit Rotterdam. De toon is geestdriftig. De formuleringen eloquent, maar op een Randstedelijke manier. Van Willigenburg drukt zich prozaïsch, soms zelfs uitgesproken parlando uit: ‘De vliegtuigen loeien ook niet voor de kat zijn kont.’ (‘Laat mij’); ‘hier glipt het door je fikken’ (‘Rotterdam’).

Het lijkt mij geen toeval dat één gedicht de titel ‘Bukowski’ (de ongekroonde koning van de anekdotische poëzie) draagt:

het dichtersfeest was in volle gang
een waaier aan dranken klokte door de kelen
de stemmen werden met de minuut luidruchtiger

er hing die avond zoals dat heet
beslist iets in de lucht

B. ging aanvankelijk mee in de flow
verzorgde onopvallend zijn aandeel in de roes
maar toen de broeierigheid overkookte
en een onbenoembaar spleen
de poëten in (nog) hogere sferen bracht

zat B. reeds lang en breed op de wc-bril
aan een sigaret te lurken

in gedachten beitelend
aan een passende tussenzin

Van Willigenburg is bijwijlen een ‘witty’ dichter: slim, scherp, opgewekt en grappig. Bijwijlen. Niet altijd. Het gevaar met anekdotische én ‘witty’ gedichten schuilt erin dat ze al te sterk kunnen leunen op de clou. Als voorbeeld kan dienen ‘Spotlights’:

nadat hij zijn zoon over de mobiel briesend
voor ‘zeldzame klootzak’ had versleten
en trillend van opwinding
zijn ex-echtgenote per sms
een energiek uitgevoerde groepsverkrachting toewenste

liet hij het apparaat uitgeschakeld in zijn binnenzak glijden
liep een gang in
ging een deur door

en poseerde tezamen met een drietal glimlachende heren
als de geniale architect van een wereldwijd gewenst vredesverdrag
voor de internationale pers

De humor (die mede wordt ‘teweeggebracht’ door de vermenging van registers; de invectieven enerzijds, en een wat formele stijl anderzijds), het spelen op de pointe – het doet denken aan die andere Rotterdammer, Jules Deelder.

Gezonde democratie

de lijsttrekker
één meter vijfentachtig
spierwitte tanden
correcte das
dito pak
pretogen
die zeggen

‘alles verloopt tot dusver perfect
een sterke jongen die mijn feestje
nu nog verpest’

zwaait naar zijn ritmisch klappende achterban
betreedt nog steeds trouw zwaaiend het spreekgestoelte
terwijl rechts van hem een adviseur met oordopje
klein
vlekkerige huid
hem voor de zekerheid
en op gebiedende wijze
de heilige trits nog eens influistert

– Volk! Verandering! Victorie! –

alvorens zijn salariseisen
een verdieping lager
in de catacomben van de hal
naar het andere kamp te mailen

Hetzelfde laken een pak. Maar erom monkelen moest ik wel.

Erger wordt het wanneer Van Willigenburg de clou van het gedicht (dat, zoals gezegd, sterk leunt op die clou) al in de titel weggeeft:

TV kijken

Er zijn rapporten die gelezen moeten worden, maar vanavond niet.

Er is een kind gerust te stellen, maar vanavond niet.

Je zou de tennisafspraak verzetten, maar vanavond niet.

Er zijn boetes te betalen, maar vanavond niet.

Een familielid wacht op jouw telefoontje, maar vanavond niet.

Het Verstand zegt dat je zaken eindelijk op een rijtje moet zetten, maar vanavond niet.

De tuin is aan een beurt toe, maar vanavond niet.

Je vrouw ook, maar vanavond niet.

Je wilt een bliksemstart als schrijver, maar vanavond niet.

Het moet allemaal absoluut anders, maar vanavond niet.

Op MTV blazen tien halfnaakte meisjes
je op buitengewoon geile wijze
en geheel gratis
kushandjes toe.

Ware het gedicht titelloos, dan had de lezer zich kunnen afvragen wat dan wél zijn acute en totale aandacht eist – óf gaandeweg had bij de lezer het vermoeden kunnen rijzen dat de ik geveld was door inertie, indolentie en/of lethargie. In plaats daarvan wordt hem de clou verklapt, al voordat het gedicht überhaupt begonnen is.

Het gedicht ‘Zalige jeugd’ werkt wel weer echt naar een pointe toe, zonder deze direct al prijs te geven:

vroeger dacht je aan grandioze borsten
van specifieke vrouwen
met een naam
een kleur haar
een bepaald type uitstraling
en een zucht die je van binnen slaakte
toen je hen op een specifieke plek
tijdens een specifieke bijeenkomst
voor het eerst in hun specifieke verschijning
mocht aanschouwen

je dacht aan die specifieke grandioze borsten
soms dag en nacht
aan hun specifieke volheid
parmantigheid
liefheid
stoerheid
puntigheid

nu zijn al die bijzonderheden eraf
en denk je alleen als je ze tegenkomt:

‘die borsten kúnnen nog’

en

‘die niet’

Feitelijk is dit gewoon proza, naar stijl en inzet te oordelen: schrijf ‘vroeger’ in r. 1, ‘je’ in r. 11 en ‘nu’ in r. 18 met een hoofdletter, breng interpunctie aan en haal de harde returns eruit, en je hebt een ultrakorte column.

Een van de mooiste gedichten uit Objectief verzuipen vind ik ‘Hotelkamer’:

de open ramen en het stadsgerucht
ze brengen iets legaals en rustigs in de lucht
en ik probeer daarmee te vermengen mijzelf
zo goed als ik kan
zo stil als ik kan
dus laat me
de gedachte afmaken
aan hotelgasten
die met suizende hoofden zo op een stad neerkijken
– het bewegende dat steeds maar langs elkaar heen schuift –
en van niets (of dat?) moe terugvallen
op bed

daar hoor ik dan bij

Een sympathiek en lucide gedicht, welluidend ook, maar op een terloopse, nonchalante wijze.

Ik geef Van Willigenburg het laatste woord. De bundel besluit met zijn twee beste gedichten. Het zijn gedichten die het minder van hun clou moeten hebben, en meer van hun stijl. Om hem recht te doen zal ik ze hieronder beide integraal citeren:

Vinexwijk

De ramp. Om het rijtjeshuis de buitenwijk of het dodental
van voortuinen, voordeuren. – En een onruststokende hond
rent en blaft zich bezeten door de perken tot blikvanger;
afdraaiend speelgoedbeest in huizenblokarena.

O! (denkt de man) deed ik geaffecteerde museumstapper zo mooie
wandelaar, maar een dergelijke
duit hier in het zakje. Mijn snoet wroetend
in zomaar een jurk, haar echoënde gil, mijn gehijg, slijm, bloed.

Maar voorlopig ben ik regenjas en paraplu toegewijd
tweevoeter, bluffer zonder blaf.
Ik sta in de regen bij het hek voor mijn huis, de hond is weg
en de handen zijn onderop mijn rug, suppoost als ik ben
van levenloze architectuur,
een vrouw en twee kinderen.

Woonlasten

Een potje binnenkomst in eigen kamer
lokt nog geen reactie uit, de materiële toeschouwers
zijn zich van geen kwaad bewust en zij zijn het.
Zij nagelen. Ik ben niet meer dan hun handige punaise,
hun onvolprezen, utilitaire diersoort; de grazende hechter
van bijvoorbeeld talloze bureauladen met inhoud
en wat hier van buiten als wind en vogelgezang
binnendringt. – Mijn verwaaide kop! Mijn onbezorgd gefluit!

Wat zal ik eens krachtdadig door het raam blijven kijken
verstenen als ik kan
deze bestemming bruskeren
met de handen in mijn zakken, berustend,
het stoffen ramen zemen voor eeuwig laten versloffen zo –
nee, liever toch dan Mohikaan middels feesten
een horde mededieren zuipsgewijs laten bekendmaken
mijn hier gevestigd, verankerd bestaan.
Het zogenaamd wellevend woningdom.

Recensent: Willem Thies

Grunberg vs. Houellebecq

In Geen categorie on 16 januari 2012 at 21:06

Is er nog sprake van een ideologische strijd? Van ideeën over de maatschappij die daadwerkelijk botsen? Of zitten we bij het politieke schouwspel, nationaal en internationaal, in feite steeds meer te kijken naar een conflict in ‘managementstijlen’? Naar manieren om het kapitalistische systeem – dat vrijwel overal, zelfs in China, heeft gezegevierd – in goede banen te leiden? Ik neig sterk naar optie twee. Om het, voor het gemak, even nationaal te houden: zelfs de SP daagt heden ten dage het kapitalisme als basismodel niet wezenlijk meer uit. In de honger naar meedoen en bestuurlijke verantwoordelijkheid (báántjes!?) opende aanvoerder Emile Roemer onlangs zelfs de weg naar samenwerking met de VVD. Het kapitalisme lijkt dus, ook voor extreem-links, inmiddels ‘een gegeven’. Iets waar je met je vingers van af moet blijven.

Mensen met een baan, een gezin, een pensioen, noem maar op (de overgrote meerderheid van het Westerse kiezersvolk, dus), hebben, merk ik, sowieso al weinig zin enige discussie over het kapitalisme te voeren. Ze willen het, al naar gelang hun belangen, gestimuleerd, gerepareerd, gesaneerd of gereguleerd zien, maar dat zijn, zoals ik in het begin zei, een soort managementbeslissingen. Over de uitgangspunten van het kapitalisme en haar voortdurende honger naar meer concurrentie, meer groei, meer welvaart en meer controle heeft vrijwel niemand zin om in discussie te gaan. Gelukkig zijn er schrijvers; schrijvers, om precies te zijn, die in hun geschriften meer willen dan alleen entertainen. Michel Houellebecq en Arnon Grunberg zijn mijns inziens twee schrijvende ‘denkers’. Zij kunnen én goed schrijven én maken ruimte voor de actualiteit én verkennen regelmatig en haarscherp van geest de randen van het kapitalisme – wat dat systeem ons brengt en van ons afpakt. Wat ze nog eens ‘extra’ interessant maakt is dat Grunberg het kapitalisme, zeker in veel van zijn recente Voetnoot-stukjes in De Volkskrant, met ongekende felheid en originaliteit verdedigt en dat Houellebecq het kapitalisme, daarentegen, consequent beschrijft als een chronisch neerwaartse spiraal waarin de mens bezig is zichzelf op te heffen.

Het meest intrigerend aan deze denkers is dat ze beiden even doordrongen lijken van de brutaliteit en de dominantie van het kapitalisme, maar dat ze uiteindelijk tegenovergestelde conclusies trekken. Voor Grunberg is het kapitalisme, alles afwegende, vanuit een dag-tot-dag perspectief de minst slechte ‘oplossing’ om de mensensoort op een niet al te wreedaardige manier bezig te houden (‘beter je druk te maken over geld dan over de perfecte maatschappij’, parafraseer ik losjes) terwijl Houellebecq vanuit een meer historisch evolutionair standpunt laat zien hoe de mens, aangejaagd door het kapitalisme, niet alleen bezig is afscheid te nemen van zijn eigen menselijkheid, maar zelfs angst begint te ontwikkelen voor de laatste restanten daarvan. In Houellebecq’s universum mag de moderne mens geen zwaktes meer tonen, zeker niet in het openbaar, maar door het oprukken van digitale media ook nauwelijks nog privé. Hij is, paradoxaal genoeg, een gevangene geworden in een wereld van totale communicatie en vrijheid. Zijn klassieke debuutroman, De wereld als markt en strijd (die ik iedereen nog altijd kan aanraden), is dan ook te lezen als een manifest tegen neoliberalisme en kapitalisme: de doctrine die meent dat concurrentie onder alle omstandigheden goed is, optimale oplossingen dan wel prestaties genereert, maar, onderweg daar naartoe, vindt Houellebecq, de mens volledig vermorzelt. De mens en zijn geluk. Wie Houellebecq’s boeken leest, staat dan ook totaal niet te kijken van de ogenschijnlijk paradoxale conclusies in de SCP-rapporten: we zijn ‘gelukkig’ omdat we, op ons eigen erfje, de vruchten kunnen plukken van een nagenoeg perfect georganiseerd kapitalisme, maar ‘ongelukkig’ omdat die perfectie, buiten ons erfje, de keiharde norm is geworden en elk falen op onszelf terugslaat. We kunnen nergens meer ‘schuilen’ of iemand de schuld van iets geven. Niet voor niets stelt Houellebecq de mogelijkheden tot geluk min of meer gelijk aan de mogelijkheden om jezelf af te sluiten, na te denken en een eigen ‘gedachtenstroom’ te ontwikkelen. Degenen bij wie die mogelijkheden zijn uitgeput léven in zijn ogen niet meer, maar wórden geleefd. En dan zit je als het ware in een rechte lijn naar je eerste burn-out, naar een loopbaan als zombie.

Hoewel hij zelf vele malen heeft verkondigd dat hij schrijft ‘tegen het leven’ (‘contre la vie’), laadt Houellebecq in zijn oeuvre juist de verdenking op zich dat bepaalde dingen in het leven hem juist erg bevallen en dat hij die koste wat kost uit de boosaardige klauwen van het kapitalisme wil redden. Misschien is Houellebecq in de kern wel sentimenteel! Dat kun je van Arnon Grunberg bepaald niet zeggen. Hij lijkt niets liever te willen dan dat de mens gedwongen wordt een rol te spelen, zich aan te passen, omdat hij de ‘naakte ziel’ bepaald onhygiënisch vindt. De jacht op geld, op schoonheid, op aanzien, heeft zijns inziens, hoe wreed ook, een louterende en beschavende, ja zelfs matigende invloed op de potentiële despoot die in elk mens verscholen zit. Hij vergelijkt het kapitalisme het liefst met een spel. Een spel waar we, inderdaad, zoals Houellebecq mismoedig vaststelt, allemaal in ‘opgesloten’ zitten. Maar voor Grunberg is die gezamenlijke focus op het begerenswaardige haast het tegendeel van deprimerend. Hij benadrukt het gemeenschappelijke van de spelers, want of ze nu hoog of laag in het spel zitten: ze staan aan dezelfde krachten en teleurstellingen bloot. Met andere woorden: het kapitalisme mag dan nóg zo agressief en blind en verwoestend zijn, het schept, zo suggereert Grunberg, wel degelijk ook een onderlinge band. Geen wonder dat Grunberg recentelijk zijn diepe afkeer van de anti-kapitalistische Occupy-beweging liet blijken, die hij beschreef als een groep ‘aanhangers van het ancien régime’, ofwel: slaafse naturen (luiaards!) die impliciet smeken om een hen welgezinde dictatuur omdat ze, in de visie van Arnon, geen zin hebben zichzelf bijeen te rapen en voluit in het enerverende, democratische spel van het kapitalisme mee te spelen.

Beide visies op het kapitalisme zijn, wat mij betreft, in hoge mate intrigerend en actueel. Waarbij je kunt zeggen dat Houellebecq, om in kapitalistische termen te spreken, het standpunt van de afzijdige verliezer lijkt te vertolken en Grunberg het standpunt van de enthousiast gokkende winnaar. En waarbij Houellebecq, tot slot, zijn mosterd voornamelijk lijkt te halen bij de geesteswetenschappen en de romankunst en Grunberg bij de kille wetten van de economie en de statistieken van wat men tegenwoordig ‘geluksonderzoek’ pleegt te noemen. Voor Houellebecq is het kapitalisme, helemaal achter de komma, een monster dat ons de komende decennia gestaag verder zal opeten; voor Grunberg is het een noodzakelijk (maar in de grond positief te beoordelen) medicijn tegen willekeur en waanideeën.

Om zelf een tikje sentimenteel te eindigen: zolang er schrijvers als Grunberg en Houellebecq bestaan, is er godzijdank nog stof tot nadenken, tot redetwisten, en krijgt zelfs het platte mediagedruis van alledag enige diepte omdat deze denkers, op hun geheel eigen manier, ‘tegen’ kleuren, ‘tegen’ denken. Dánk daarvoor!

(eerder gepubliceerd op DeJaap)