Hans van Willigenburg

De horror van het calculeren

In Geen categorie on 27 augustus 2010 at 13:20

Ik kom het regelmatig tegen op het ANP. Berichten in het genre: ‘Thiemo de Bakker stijgt op de wereldranglijst van 44 naar 42.’ Tennis is soms net boekhouden. En niet alleen als je heel goed bent. Ook op het huis-tuin-en-keuken-niveau is het cijfertjesfetisjisme schering en inslag. Een paar jaar terug speelde ik in de 6 een toernooi te Rotterdam en zei mijn tegenstander voor de wedstrijd: ‘Ik zag dat jij 6 komma puntje-puntje-puntje-nog-wat stond.’ Mijn hemel! Ben ik even blij dat ik geen tennisser van beroep ben geworden. Stel je voor dat ik ooit op een computerranglijst zou kunnen lezen dat ik zojuist in de top-2000 van ’s werelds beste journalisten of schrijvers of dichters ben binnengekomen. De verantwoordelijkheid die dan op je afkomt! ‘Hoe kan het nou dat je zo’n zwak verhaal aflevert?’ hoor ik mijn eindredacteur al door de telefoon briesen. ‘Volgens de laatste journalisten-ranking ben je gestegen van plek 1972 naar 1432! Je staat 15 plekken hoger dan Wilfred Genee. En nog maar 100 onder Hugo Borst.’ Ik kan er nu nog om lachen – om zo’n gedachte. Maar hoe lang nog? De behoefte van de mens om zichzelf tot in de kleinste details te classificeren als beter of slechter, mooier of lelijker, gezonder of ongezonder is zó enorm sterk. En wordt – zo lijkt het – steeds sterker. Je ziet het al bij de kleinste kleintjes. Rodney wil niet met Joris inspelen, want Rodney heeft uit zijn ooghoeken al gezien dat hij niet alleen beter is dan Joris, maar zóveel beter dat serieuze imagoschade vrijwel zeker is. En moeder A doet verschrikkelijk haar best om bij moeder B in het gevlij te komen, omdat de dochter van moeder B met haar strakke ballen het spelniveau van de dochter van moeder A van een rapportcijfer vijf naar een rapportcijfer zes kan tillen. En onlangs hoorde ik een trainer over een veelbelovende pupil zeggen: ‘Nu zitten 75% van de backhands er goed bij ‘m op. Dat moet minstens 90% worden.’ Ik hoor het die pupil op het schoolplein al tegen zijn vriendjes zeggen: ‘Vanmiddag weer naar training. Mijn geslaagde backhandpercentage opschroeven van 75 naar 90.’ Het enige cijfer dat ikzelf mentaal ‘aan kan’, is 1. Lekker simpel. En makkelijk te onthouden. Wat moet je rijk zijn als je, zoals Roger Federer, jaren nummer 1 staat en het rekenen aan de anderen kan overlaten. En wat moet Martin van Brugghen blij zijn met Kiki Bertens, die zich, zo las ik in de krant, een jaar de nummer 1 van Nederland mag noemen. Martin en Kiki van harte! Maar op de ATP-ranglijst zijn er nog 415 of 283 plaatsen ‘te gaan’. En het eerste service percentage zal wel met 20% of zoiets omhoog moeten.  Réken ze!

(Deze column wordt opgenomen in het eerstvolgende nummer van ‘Baanpraat’, het orgaan van tennisvereniging ATV Berkenrode)

Flauw idee of logische toekomst?

In Geen categorie on 16 augustus 2010 at 20:03

Ik wilde afgelopen zaterdagavond met mijn zoon en een goede vriend naar Studio Sport kijken, maar we schakelden vijf minuten te vroeg in. Dus dacht ik, als tijdelijke beheerder van de afstandsbediening: weet je wat? Laten we sinds tijden weer eens een paar kwaliteitsvolle actualiteiten minuten meepikken bij NOVA. Ik zapte van 1 door naar 2. We vielen middenin een technisch gesprek over Europese wetgeving en de beperkte ruimte voor Nederland en een nieuw kabinet WildersPlus om aan die bestaande immigratiewetgeving te morrelen. Mijn mondige zoon (15 jaar) beviel de zenderkeuze maar niks. Hij wees onmiddellijk naar de talking head op het scherm (in casu Derk Jan Eppink,  een Europese parlementariër die deel uitmaakt van de Conservatieve fractie) en zei, zonder enige vorm van gêne of bedoelde ironie: ‘Hoe kun je een man met zo’n hoofd serieus nemen?’ Ik vroeg om enige adstructie bij deze uitspraak. ‘Kijk die onderkin!’ zei mijn zoon. ‘Dat jasje! De manier waarop-ie daar onderuitgezakt in die stoel zit! Dat ziet er toch niet uit?’ Het was een hard en ééndimensionaal oordeel van mijn zoon. Brutaal, misschien, en onsympathiek. Maar als feitelijke analyse van wat we op het scherm zagen (inderdaad: een onderuitgezakte man met een onderkin, die weggedoken in zijn stoel zat) klopte het redelijk. Wat zeg ik? Voor negenennegentig procent. Natuurlijk deden mijn vriend en ik een opvoedkundige poging uit te leggen dat het uiteindelijk ging om wat de man zei, niet om zijn uiterlijk. Tegelijkertijd realiseerden we ons dat het eigenlijk een vreemde eis is om iemand die televisie kijkt erop te wijzen dat hij vooral moet luisteren. Bovendien was de kwalificatie ‘gelul’ die mijn zoon voor het door Eppink naar voren gebrachte eigenlijk ook best adequaat. De man had veel woorden nodig en was amper te volgen. ‘Misschien,’ opperde ik, ‘krijgt jouw generatie straks voortdurend een appetijtelijk model in beeld met grote tieten, die dan door ‘deskundigen’ als Eppink, of meer op soundbites gerichte collega’s van hem, wordt “ingesproken”. Ofwel: de “babe” beweegt haar lippen, de deskundige verzorgt de tekst. Resultaat? Voortdurende top-tv!’ Een lachsalvo rolde mij tegemoet, maar ik dacht: hoe flauw is dit idee? Of is het de logische toekomst? Simultane bevrediging van oog en oor: Pamela Anderson die haar lippen beweegt en Ferry Mingelen die de laatste schermutselingen in de kabinetsformatie tekstueel van toelichting voorziet.

Heet dat in de volksmond niet gewoon ‘vooruitgang’?

‘Majesteit, twitteren is gezond…’

In Geen categorie on 8 juli 2010 at 09:48

Iets nieuws wordt altijd bediscussieerd. Worden we er ‘beter’ van of juist niet? Zo ook Twitter. Het mag geen verbazing wekken dat sommige filosofen en publicisten zich laten verleiden tot een boutade tegen wat zij de ‘vertwittering van het openbaar debat noemen’. Waarbij ‘vertwittering’ bijna één-op-één gelijk staat aan ‘verloedering’. Bij de onderhandelingen over het nieuw te vormen kabinet is het begrip ‘ont-twitteren’ ineens boven komen drijven en iedereen lijkt zich er wel bij te voelen. Het staat, qua betekenis, zo’n beetje gelijk aan: betere gesprekken, indringender overleg, dieper nadenken en waarachtiger persoonlijk contact.

Ik behoor niet tot de categorie denkers, die één kant uit wil. En dingen al te snel omarmt of van zich af duwt omdat ik meen te weten of het ‘ons’, de mensheid, die ene, juiste kant wel of niet op duwt. Want: wat is die ene, juiste kant? En hoe vlot kun je de werkelijke effecten van iets nieuws enigszins betrouwbaar overzien? Ik geef toe: ik denk regelmatig met de ‘onderbuik’ (wat, volgens velen, een onmogelijkheid is), en die ‘onderbuik’ zegt dat Twitter een rechtstreekse bedreiging is voor een bepaald type macht of ‘manier van doen’. Een type macht dat namens een vermeende collectiviteit over ons wil heersen of oordelen en het een onaangenaam idee vindt dat Twitter een eigen, nieuw netwerk van gedachten en uitlatingen faciliteert, waar die macht geen controle over heeft.

Twitter als ontsnapping!

Eén van mijn favoriete schrijvers – de Fransman Michel Houellebecq – heeft in een mijns inziens belangwekkend interview ooit gezegd hoe belangrijk het is dat de mens regelmatig, of misschien wel voortdurend, ‘voor zich uit denkt’. Ontsnapt. Kortom, zelf een gedachtestroom ontwikkelt waarin hij of zij zich thuis kan voelen. Zijn definitie van geestelijke terreur is de toestand waarin externe factoren (met media als groeiende stoorzender) steeds meer jouw gedachten gaan bepalen. En als ze ze al niet rechtstreeks bepalen, dan toch op zijn minst agenderen (‘jij moet deze week een mening hebben over de kabinetsformatie’). Het behoeft geen betoog dat massamedia in zijn ogen een soort gelegaliseerde terreurwapens zijn, die jouw intellect ’gevangen houden’ in een web van voorgeschreven en door gevestigde belangen aangedragen items en onderwerpen. Hoewel Twitter niet zelden ‘meeloopt’ met onderwerpen uit de massamedia (zie het WK Voetbal) en als een ‘extra tool’ van diezelfde massamedia bekeken zou kunnen worden, biedt het tegelijkertijd een interessante mogelijkheid om een ‘tegenstroom’ op gang te brengen. Een woud van gedachten, invalshoeken en opmerkingen, die op geen enkele manier gehoorzamen aan de narratieve wetten van de klassieke massamedia. Noem het, eenvoudig, op je eigen manier ‘terugpraten’ of ‘terugdenken’.

Hoe revolutionair dat praten of denken ook (wel of niet) is, vaststaat dat Twitter steeds meer mensen uitnodigt uit hun passieve consumptiecocon te breken en zelf ‘deelnemer’ of ‘producent’ van (stukjes) media te worden. Volgens de gedachtegang van Houellebecq is dat een zeer gezonde ontwikkeling. Niet langer ‘vastzitten’ op de vooraf bedachte rails van enkele programmamakers, maar zelf  die rails mede vormgeven – of zelfs bewust laten exploderen! In de ogen van Houellebecq genereert die vrijheid geestelijke energie, die bij passieve consumptie steeds verder weg ebt.

Het kan geen toeval zijn dat koningin Beatrix zich de afgelopen maanden heeft laten kennen als een uitgesproken tegenstander van digitale communicatie en een onverholen adept van machtsuitoefening die achter gesloten deuren plaatsvindt.  Zij wil ons het liefst laten inslapen, terwijl wakkerheid juist de cruciale factor is in het bouwen van een toekomst.

Daarom zeg ik met volle overtuiging: ‘Majesteit, twitteren is gezond…’