Hans van Willigenburg

NRC & de flirt met de hockeyvrouw

In Geen categorie on 18 april 2012 at 16:19

De krant als ‘meneer’: dat is niet zelden een beeldspraak van vijftig-plussers, die terugverlangen naar een programma, krant, omroep of bulletin dat je zonder al teveel poespas kunt geloven. Omdat de meneer nu eenmaal een meneer is: zaken afweegt, nog eens afweegt, voor de zekerheid nog wat extra bronnen raadpleegt, zijn pijp stopt, een slokje water neemt, zijn keel schraapt en dán pas de woorden kiest die hem goeddunken, genuanceerde woorden die de werkelijkheid recht doen. Bovengeschetste meneer vertoont sterke overeenkomsten met ‘s lands meest gewaardeerde kwaliteitskrant, de NRC, en meer in het bijzonder met de bijna eeuwige columnist van die krant, J.L. Heldring, die er onlangs na een onwerkelijk lange periode van 52 jaar bedaagd opiniëren – geheel op eigen initiatief? – de brui aan gaf.

We weten intussen allemaal: die meneer brokkelt af. Niet omdat die meneer opeens onbetrouwbare dingen is gaan spuien of aan aderverkalking lijdt, maar omdat die meneer niet meer boven de herrie van de digitale consumptiemaatschappij uitkomt, alwaar men geen tijd en zin meer heeft om iets tot zich te nemen dat niet of onvoldoende ‘prikkelt’, ‘inspireert’ of ‘energie uitstraalt’. Ofwel: hoe zelfstandig ook, en met hoeveel zelfkennis ook gefundeerd, de beslissing van Heldring om te stoppen zou wel eens mede ingegeven kunnen zijn door het besef dat zijn vorm – de door belezenheid, eruditie en ratio gedomineerde column – in de context van de media-oorlog anno 2012 en onder het nieuwe bewind van hoofdredacteur Pieter Vandermeersch van een parel in een zware rugzak was veranderd, die met frisse tegenzin in de krant werd afgedrukt. En het is verre van denkbeeldig dat de hoogbejaarde columnist bepaalde dingen voorvoelde, zichzelf een beleefd gesteld briefje van de Belgische wijndrinker, wielerliefhebbers en beroepscauseur wilde besparen en, net op tijd, zelf dat beleefde briefje op de post deed.

Vanuit de cijfers en de commercie geredeneerd is de causerende Belg sinds zijn aantreden bezig de NRC van ‘slijpsteen voor de geest’ om te vormen tot een kek gemaksproduct, waarbij artikelen van boven de drie- of vierduizend woorden uit den boze zijn, want wel ‘een erg zware last’, zelfs voor de NRC-lezer. Tegenwoordig kom je, de NRC openslaand, óm in de luchtige columns, de vrolijk gekiekte kookschrijvers, de zwierige stukjes over de allerlaatste modelijn en de filosofisch aangeklede mini-essays over de corner, de strafschop en de gevoelswaarde van een kasseienstrook in Noord-Frankrijk. Het is alsof Vandermeersch een televisiecarrière ambieert en, in navolging van Van Nieuwkerk bij Het Parool, de kunst van het vernietsen onder de knie probeert te krijgen.

Onder dat vernietsen valt ook zeker de dagkrant, die bij haar berichtgeving steeds vaker blind vaart op de fatsoenlijke mening in de doelgroep en daar steeds vaker de feiten bij zoekt. Zie, ter adstructie, de zorgelijk getoonzette campagne over ‘het internationale imago’ van Nederland, en hoe die, volgens de NRC dan, aan het afbladderen is. Het heeft niet veel meer om het lijf dan de achterban te bevestigen in haar oordeel dat Geert Wilders en de PVV ‘on-Nederlandse’ elementen zijn in het zo gewenste, hoogopgeleide ‘New York van Europa’. Ofwel: op maat geleverde Telegraaf-journalistiek voor de beter gesitueerde.

Ben ik bezig een karikatuur te maken van de Nederbelg en zijn vandalistische missie? Geenszins. Vorig jaar nog sprak hij op een uitgeverscongres zijn bewondering uit voor het damesblad Linda, dat ‘zijn’ NRC-redacteuren, vond hij, wel eens met meer ontzag en waardering mochten openslaan. Deze bewondering, en zijn meer dan gemiddelde aandacht voor showbizz en glamour, verklaart misschien waarom Vandermeersch in lijkt te gaan op elk verzoek uit het Hilversumse en zijn ‘boodschap’ zich hoofdzakelijk beperkt tot de brillen en jasjes die hij draagt, want van de inhoud die hij met zijn Vlaamse tongval – met zin voor poëzie en een Latijnse zangerigheid, o zeker – uit zijn mond laat rollen, is, meen ik vast te kunnen stellen, nog nooit iemand onder de indruk geweest. Vadermeersch als de ‘dressboy’ van de opgehipte NRC…

Nógmaals: een karikatuur? Ik zeg nog een keer: geenszins. Het ultieme bewijs levert zijn rechterhand, uitgever Hans Nijenhuis, die dit weekend bij concurrent De Volkskrant, nota bene met trots (!), openbaart dat achter die inhoudsloze media-optredens van zijn Vlaamse kompaan een heuse strategie schuilgaat, die, naar zijn eigen zeggen, uiterst effectief is, en ik citeer: “Bijna elke zaterdagochtend word ik langs het hockeyveld aangesproken door ouders die zeggen: wat een leuke man is dat toch, ik moet die krant toch weer eens lezen.” Ergo: de ‘nieuwe’ NRC verlokt met gratis iPads, quasi-onthullingen over het Koningshuis en een hoofdredacteur, die, de Linda spellend, weer met de ‘denkende’ hockeyvrouwen en hun levensgenietende aanhang in Laren, Wassenaar, Blaricum, Haren, Bloemendaal, Den Haag en Amsterdam-centrum in contact probeert te komen. En nee, gaat u niet lachen, alstublieft!

De satire is werkelijkheid geworden. Ook bij voormalig ‘meneer’ de NRC. Het lijkt me ernstig zat.

(dit stuk verscheen eerder op opiniesite DeJaap)

Jawohl, Duitsland is superieur

In Geen categorie on 15 april 2012 at 23:58

Dezer dagen vraagt menig opiniemaker zich af hoe het kan dat Nederland ogenschijnlijk zo labiel en stressvol reageert op ongeveer alles (de eurocrisis, de immigratie, het gegraai, het Catshuisoverleg, de falende NS) en dat even verderop, in Duitsland, het evenwicht, de bezonkenheid en het optimisme hoogtij viert. Er gaat momenteel geen dag voorbij of de Duitsers blijken op weer een nieuw terrein beter te presteren dan Nederland. En die prestaties gaan gepaard met een vertrouwen in de toekomst die ons bijna exotisch voorkomt. Hierbij wil ik een poging wagen een deel van het enorme verschil in sfeer en prestatiecurve te verklaren. Waarop is dat verschil, behalve op de beruchte Duitse maakindustrie, nu eigenlijk gebaseerd? Als frequente bezoeker van het financieel centrum Frankfurt – alwaar enkele vrienden van mij woonachtig zijn – kom ik tot de volgende analyse.

In Duitsland wordt de mediacultuur nog ‘beheerst’ door verhalen. Interpretaties. Mythen, zo je wilt. Behalve een nog altijd doorwrochte krantencultuur met levendige essayistiek en fundamenteel debat, hebben de publieke zenders, ARD en ZDF, zichzelf er nog niet vrijwillig gedegradeerd tot uitverkoop houdende uitdragerijen, die via John de Mol of andere commerciële producenten maximale marktaandelen willen scoren. Gevolg? Hysterie, hyperigheid en sensatiehonger hebben er structureel minder vat op de publieke opinie dan hier in Nederland. Natuurlijk heeft ook Duitsland zijn populaire kranten, rubrieken en nieuwszenders, maar het belangrijkste verschil is: ARD en ZDF vertegenwoordigen er, zeker op journalistiek gebied, tot op de dag van vandaag een kwaliteitsstandaard waar ook commerciëlen zich aan spiegelen. In Nederland is het, helaas, andersom.

Beste voorbeeld: het NOS-journaal wil door het kijkcijfersucces van RTL Nieuws met alle geweld “laagdrempeliger” worden en opent steeds vaker met onbenulligheden ‘dichtbij huis’ over files, crèches, verkeersdrempels en Dolle Dwaze Dinsdagen. Ofwel: het kwaliteitsnieuws waar wij allen belasting voor betalen vervormt zichzelf, uit angst voor ongunstige populariteitspolls, tot een FEBO-kroket. Wat ooit bedoeld was als een instrument van betrouwbaarheid en verheffing debiliseert zichzelf welbewust tot ‘kroegmaatje van de kijker’, even opportunistisch en onderhevig aan de waan van de dag als de doelgroep die men bedienen wil.

Als ik in Duitsland ben, merk ik, in tegenstelling tot Nederland, dat ideeën – hoe kijk je naar de wereld? welke nieuwe feiten en onderbouwingen kun voor die ideeën aanvoeren? – er nog toe doen. En dat consistentie op dat gebied niet alleen gewaardeerd wordt, maar bijna als voorwaarde wordt gesteld om serieus te worden genomen. Hier in Nederland lijkt bijna het tegenovergestelde criterium de norm: hier moet je vooral – ongehinderd door denkbeelden van enigerlei substantie – wat roepen, liefst zo luid en kort door de bocht mogelijk, zodat iedereen op Twitter weer ‘los’ kan gaan en weer nieuwe praatprogramma’s aan de groeiende boom van talkshows je kunnen uitnodigen om de gewaagde dan wel onverschrokken dan wel beledigende uitspraak te komen toelichten en herpositioneren. Ik weet niet of er mensen zijn die na tienen wel eens naar ‘de Duitser’ overschakelen, maar ik kan het hem of haar, bij deze, van harte aanbevelen.

Waar in Nederland praathoofden consequent tot hun middel in beeld komen en ergens aan tafel schuiven om een onderwerp met hun vermeend deskundige mening of een paar kloeke oneliners van de agenda af te voeren of uit de weg te ruimen (“Zó! dat hebben we ook weer ‘behandeld’, dóór!”), zie je in Duitsland, wat een verademing, de hele mens – dat wil zeggen van top tot teen, niet zelden onderuitgezakt en met een drankje erbij op een bijzettafeltje – uitgebreid filosoferen over de rechtsgang, de economie, de literatuur of de maatschappij. Vaak ook nog in een ‘huiskameropstelling’, waarbij de presentator niet, zoals in Nederland, met een schuin oog naar de aftiteling achter de sprekers aan jaagt, maar zelf met hart en ziel, en vanuit de eigen ervaring, mee discussieert. Kom daar eens om bij gespreksleider annex vlammenwerper Matthhijs van Nieuwkerk, die iedereen de hemd van het lijf vraagt maar bij de omgekeerde richting – een gast vraagt iets aan hém – onmiddellijk in de schrikstand schiet.

Als je erover nadenkt is het om te huilen dat de politici in Den Haag – SP en PVV uitgezonderd – nooit een woord van kritiek uiten over deze voze praat- en omroepcultuur in Hilversum, waar de netmanagers compleet de lakens zijn gaan uitdelen. Waarschijnlijk gedreven door het intense verlangen zèlf onderdeel uit te maken van de celebritycultuur – nawrant voorbeeld: Henk Bleker – blijven zij de Publieke Omroep in grote lijnen omarmen en hoor je vrijwel niemand over het feit dat de ideeënrijke programma’s, zo die er al zijn, door de netmanagers naar onmogelijke tijdstippen in de late avond worden geschopt. Nóg treuriger is het dat de exponent van deze voosheid, PowNews, in NPO-kringen wordt bejubeld als ‘vernieuwend’. Let wel: PowNews is op een bepaalde manier, inderdaad, verfrissend, maar waarom zou de NPO een stelletje kwajongens moeten financieren die openlijk toegeven dat hun inhoudelijke interesse nul is? Waarom zeg je niet tegen die knulletjes: “Jullie zijn leuke jongens, maar houd je eigen broek maar op in de boze buitenwereld?”.

Feitelijk lacht PowNed – met de miljoenen aan subsidie in hun achterzak – dagelijks de hele NPO en politiek Den Haag uit en het tekent de slapte en corruptie in die kringen dat men er bij staat te grinniken en applaudiseren. Liever je dagelijkse scheet in de roze microfoon mogen deponeren dan genegeerd worden! En dat alles dankzij de uit achttien karaats ijdelheid vervaardigde Ronald Plasterk, in een vorig leven een denkend wezen maar nu een gewillig hapje audiovisuele vulling zonder één te onthouden idee of standpunt. Hoe gek is het dat een partij als de PVV in deze mediacultuur garen spint? En hoe gek is het dat soortgelijke partijen in Duitsland geen, of amper, een poot aan de grond krijgen? Als de gevestigde partijen een omroepcultuur celebreren die geen interesse meer heeft in ideeën en ze derhalve ook niet meer honoreert, moeten ze ook niet gek staan kijken als ze machteloos staan tegenover ideeënloze partijen. Conclusie: elke scheet in de PowNews-microfoon is de legitimatie van een cultuur waarin de hapklare oneliners van de PVV winnend uit de bus komen.

Bij onze oosterburen is pret nog ‘gewoon’ pret, dat wil zeggen: je laat je, op min of meer vaste tijdstippen, entertainen en ‘vollopen’ met wat bier, wijven en gezang en daarna ga je slapen, trek je je das weer recht en ga je over tot de orde van de dag. In Nederland daarentegen hebben de wetten van pret en leukigheid zich de afgelopen decennia als een epidemie door de mediacultuur verspreidt en glimt zelfs de EO bij het eigenhandig verknippen, verhippen en banaliseren van hun kroonjuweel, het lijdensverhaal van Jezus Christus, door Danny de Munck, Frans Bauer en consorten. En alsof dat nog niet erg en bizar genoeg is organiseert De Wereld Draait Door – summum van de leukigheidscultuur – de volgende dag een blijmoedige ode aan deze proeve van wansmaak. En wordt ene David Grifhorst, regisseur van de audiovisuele kauwgum, behandeld als een nieuwe rockheld in de orde van grote van Mick Jagger.

Hoe systematisch wansmakelijk en opzettelijk verdwaald kan een welvarend land zijn? Hoe ver kan ze gaan bij het verkitschen en ontkrachten van haar eigen fundamenten? En hoe vreemd is het dat Nederlanders in een depressie raken en de toekomst met angst en beven tegemoet zien als ze, dag in dag uit (en dan nog op de zenders die verstand en nuance zouden moeten brengen), geconfronteerd worden met een elite die hormonaal gedreven op drift raakt van kijkcijfers? Een elite die door niets anders gedreven lijkt dan de eigen kop in zoveel mogelijk veelbekeken programma’s te krijgen? Welke hoop mag je dan nog koesteren op beleid dat over vijf of tien of twintig jaar zoden aan de dijk zet? In Duitsland maken ze, ver van de schijnwerpers en de hijgerige ademhaling van Rutger Castricum, systematische keuzes (kijk naar hun programma voor windenergie) en volgen de media nog (ouderwets?) de politiek; in Nederland is de situatie goeddeels al omgekeerd: de politiek volgt slaafs de media. Met claustrofobie en geïnstitutionaliseerde domheid als meest in het oog springende gevolgen.

Soms, als ik een verstandig en weids denkend mens als Herman Wijffels op zijn oude dag zie ijveren voor een “ander bankklimaat”, “een bewustere wereld” en “nieuwe vormen van denken”, wens ik hem een plek toe in een te pruimen Duitse talkshow, met waardige opponenten. In Nederland mag hij blij zijn als voor de camera uit mag praten en wordt hij, onmiddellijk na zijn laatste woord, opgevolgd door Jan Mulder, Jort Kelder, Peter R, de Vries of een ander ‘kijkcijferkanon’ dat alles weer veilig terug redeneert naar de overzichtelijke hokjes van de dagelijkse nieuwsstroom. Dit chronische wegdrukken van andere, meer bedachtzame geluiden, is mijns inziens dé hoofdreden van onze collectieve depressie.

Ga de grens over bij Lobith of een andere plaats in het oosten des lands, en je zult gewaar worden dat achter de activiteit van het serieuze nadenken niet overal lachbanden, cabaretiers, georkestreerde tribunes met klapvee of rusteloze netmanagers staan opgesteld. Wat een verademing is dát! En wat een gunstig effect heeft het op economie, consumentenvertrouwen en samenleving.

(Deze bijdrage werd eerder geplaatst op opiniesite DeJaap)

Damien Hirst bij DWDD

In Geen categorie on 3 april 2012 at 07:49

Gisteren zag ik op tv de directeur van een grote kunstinstelling, het Rijksmuseum om precies te zijn, op ‘prime time’ en in een veel bekeken programma uitleggen waarom een meervoudig doorgezaagde haai, gedrenkt in formaldehyde en gestold in een glazen behuizing, ons aller aandacht verdient en de miljoenen die de kunstliefhebbers ervoor over hebben meer dan waard is. Op zulke momenten verlang ik ernaar alles uitgelegd te krijgen over deze toch op zijn minst discutabele gedachte, maar het is waarschijnlijk het genie van kunstenaar Damien Hirst dat ervoor zorgt dat de man in kwestie, Wim Pijbes, zelfgenoegzaam als een rockster de camera inkijkt, dat de man links van hem, Matthijs van Nieuwkerk, onrustig op zijn stoel schuift, bijna schuimbekkend de prijs van dit ‘kunstwerk’ noemt en dat de haai massa mediaal wordt ingezegend als een verbijsterend wereldwonder.

Er komt geen uitleg.

Er worden geen vervelende vragen gesteld.

De meervoudig doorgezaagde haai is, constateer ik, een vrijwel onomstreden totem van de moderne maatschappij.

Laat ik het zelf dan maar vragen: wat zégt dat?