Ik kom het regelmatig tegen op het ANP. Berichten in het genre: ‘Thiemo de Bakker stijgt op de wereldranglijst van 44 naar 42.’ Tennis is soms net boekhouden. En niet alleen als je heel goed bent. Ook op het huis-tuin-en-keuken-niveau is het cijfertjesfetisjisme schering en inslag. Een paar jaar terug speelde ik in de 6 een toernooi te Rotterdam en zei mijn tegenstander voor de wedstrijd: ‘Ik zag dat jij 6 komma puntje-puntje-puntje-nog-wat stond.’ Mijn hemel! Ben ik even blij dat ik geen tennisser van beroep ben geworden. Stel je voor dat ik ooit op een computerranglijst zou kunnen lezen dat ik zojuist in de top-2000 van ’s werelds beste journalisten of schrijvers of dichters ben binnengekomen. De verantwoordelijkheid die dan op je afkomt! ‘Hoe kan het nou dat je zo’n zwak verhaal aflevert?’ hoor ik mijn eindredacteur al door de telefoon briesen. ‘Volgens de laatste journalisten-ranking ben je gestegen van plek 1972 naar 1432! Je staat 15 plekken hoger dan Wilfred Genee. En nog maar 100 onder Hugo Borst.’ Ik kan er nu nog om lachen – om zo’n gedachte. Maar hoe lang nog? De behoefte van de mens om zichzelf tot in de kleinste details te classificeren als beter of slechter, mooier of lelijker, gezonder of ongezonder is zó enorm sterk. En wordt – zo lijkt het – steeds sterker. Je ziet het al bij de kleinste kleintjes. Rodney wil niet met Joris inspelen, want Rodney heeft uit zijn ooghoeken al gezien dat hij niet alleen beter is dan Joris, maar zóveel beter dat serieuze imagoschade vrijwel zeker is. En moeder A doet verschrikkelijk haar best om bij moeder B in het gevlij te komen, omdat de dochter van moeder B met haar strakke ballen het spelniveau van de dochter van moeder A van een rapportcijfer vijf naar een rapportcijfer zes kan tillen. En onlangs hoorde ik een trainer over een veelbelovende pupil zeggen: ‘Nu zitten 75% van de backhands er goed bij ‘m op. Dat moet minstens 90% worden.’ Ik hoor het die pupil op het schoolplein al tegen zijn vriendjes zeggen: ‘Vanmiddag weer naar training. Mijn geslaagde backhandpercentage opschroeven van 75 naar 90.’ Het enige cijfer dat ikzelf mentaal ‘aan kan’, is 1. Lekker simpel. En makkelijk te onthouden. Wat moet je rijk zijn als je, zoals Roger Federer, jaren nummer 1 staat en het rekenen aan de anderen kan overlaten. En wat moet Martin van Brugghen blij zijn met Kiki Bertens, die zich, zo las ik in de krant, een jaar de nummer 1 van Nederland mag noemen. Martin en Kiki van harte! Maar op de ATP-ranglijst zijn er nog 415 of 283 plaatsen ‘te gaan’. En het eerste service percentage zal wel met 20% of zoiets omhoog moeten. Réken ze!
(Deze column wordt opgenomen in het eerstvolgende nummer van ‘Baanpraat’, het orgaan van tennisvereniging ATV Berkenrode)