Hans van Willigenburg

De rotjongens van Leefbaar Rotterdam

In Geen categorie on 6 februari 2010 at 09:10

Wat doe je met politieke tegenstanders? Bestrijd je ze met feiten, argumenten en resultaten? Of ontwijk je de zakelijke discussie en ga je roepen: ‘ZIJ ZIJN NIET AARDIG! WIJ WEL!’ Dat laatste doet Fouad el Haji in het stuk ‘Samenwerken met Leefbaar Rotterdam?’ op www.joop.nl. Nu is het niks nieuws dat er op deze site alleen nog naar binnen wordt gekeken en scribenten wedijveren op ‘de schaal van links’ wie de mensheid het meeste liefheeft, maar dit stuk vormt toch wel weer een nieuw dieptepunt. De successen die Leefbaar Rotterdam tussen 2002 en 2006 in het college heeft geboekt blijven onvermeld. El Haji kiest ervoor om het karakter van LR te wegen, en dat is – dat begrijpt u – heel erg slecht. ’Bevolkingsgroepen tegen elkaar opzetten, mensen beoordelen op hun afkomst, hardvochtig ingrijpen en vooral hard, heel hard roepen.’ Hoort u wat ik hoor? Gehuil over rotjongens op het schoolplein, die de sfeer verzieken. Ook al tonen onderzoeken aan dat die vermeende rotjongens hier en daar zeer effectief hebben opgetreden.

Joop weegt politiek naar de juistheid van de bedoelingen, niet naar de werkelijkheid van de resultaten. Dat die resultaten van de PvdA na al die jaren bedroevend zijn, laat el Haji – begrijpelijkerwijs – passeren, maar heel Rotterdam weet dat! Het zal zich weerspiegelen in de verkiezingsuitslag van 3 maart.

Peter, de Redder des Vaderlands

In Geen categorie on 5 februari 2010 at 19:28

Peter R. de Vries ziet zichzelf als de Grote Rechtvaardige, de weliswaar bewierookte maar tot het ‘hoekje’ van de misdaad veroordeelde Messias. Hij vindt dat hij meer te vertellen heeft dan uitzoeken wie schuldig is en wie niet. Niet geheel onverwacht springt hij dus nu in het ‘gat’ van de Redder des Vaderlands. Hij waarschuwt Nederland voor Wilders met de allure en het aplomb van een man die uit zijn eigen schaduw stapt en voor het oog van de Geschiedenis roept: ‘Tot hier en niet verder!’ Koddige man, die De Vries. Met het gevoel voor drama dat we van hem gewend zijn roept hij dat hij waarschuwt ‘nu het nog kan’. Ja, echt. Hij zegt ‘t. Lees ‘t AD er maar op na. Hij suggereert dat binnenkort heel Nederland is overgenomen door de PVV, zoals de Nazi’s de macht grepen in het Duitsland van 1933. En dat terwijl Wilders – naar mijn stellige inschatting – met een kleine groep middelmatige tot zwakzinnige volgers (zijn Kamerleden) probeert een deukje te schoppen in de onomstotelijke beleidsmachine die ‘Nederland’ heet. Nu hij hier en daar een paar zeteltjes dreigt te halen (meer is ‘t niet), raakt vooral progressief Nederland in paniek (wat zeg ik? men verkeert daar al ‘in shock’ sinds Wilders in de Kamer zit) en wordt er een dreigende sfeer opgeroepen, hetgeen de progressieven in Geert zo verafschuwen.

Ik zeg u: in De Vries smeulen politieke ambities na. Met een Emmy Award op zak is hij op zoek naar grotere daden: op de voorplecht van de Titanic staan, als Leonardo di Caprio, en Wilders aanwijzen als de grote boeman. Dat is zijn droom. Slaap lekker, Peter.

1 puntje dun

In Geen categorie on 30 januari 2010 at 11:28

Als je de mens in al zijn doortraptheid en achterbaksheid in het wild wilt tegenkomen, is de tennisbaan een aardige pleisterplaats. Waar voetballers nog vaak rare capriolen moeten uithalen om de boel te misleiden (vreemde fopduiken, een getergde grimas en een schreeuw vanuit de onderbuik), hoeft een tennisser vaak alleen maar doodleuk ‘uit!’ te roepen terwijl de bal gerust een centimeter of meer binnen de lijnen belandde. Het mooiste moment is als de tegenstander onraad ruikt en, staande bij het net, vraagt of de speler in kwestie zeker is van zijn beoordeling. Dan wordt ’t leuk. Dan zie je de valsspeler een bal rapen of zijn schoenen afkloppen en net iets te kort, iets te betrapt, iets te binnensmonds ‘ja’ zeggen om overtuigend te klinken. Zolang ikzelf niet op de baan sta, geniet ik daarvan. De mens in zijn meest kleinzielige vorm is altijd weer een gezellig tafereeltje om naar te kijken, al was het maar omdat jij jezelf – ook maar een sukkel, tenslotte – even als een ware volwassene kunt beschouwen die ‘daarboven staat’.  Lang duurt die illusie overigens niet. Want een paar dagen later sta ook ik hoofdschuddend op de baan. Moordlustige gevoelens bespringen mijn gemoed. Er is niet meer voor nodig geweest dan een tegenstander die ’40-30’ zegt terwijl de werkelijke stand 30-40 is. Het laatste punt is naar mijn maat en mij gegaan. Daar zijn wij en onze tegenstanders het over eens. En dus haal ik de stand voor de laatste slagenwisseling aan, 30-30, om aan te tonen dat wij het bij het rechte eind hebben. ‘Dan is het nu toch 30-40?’ zeg ik, kalm. Maar dan staat één van de tegenstanders ineens met z’n handen in de zij en z’n borst vooruit bij het net. Hij zegt: ‘Je hebt niks gezegd.’ Ik kijk ‘m bevreemd aan. ‘Niks gezegd?’ vraag ik, enigszins verbaasd. ‘Toen ik net zei dat het 40-15 was, heb je niks gezegd,’ zegt hij. Ik sta perplex. De tegenstander heeft een strakke grijns op het gezicht. Ik voel aan: hij gaat voet bij stuk houden. Mijn bloed begint te kolken.  Aangezien de einduitslag mij werkelijk geen zier uitmaakt, maar ik ook weer niet het lijdzame lijdend voorwerp wil zijn van deze overduidelijke intimidatiepoging, grijp ik naar mijn favoriete instrument: de ironie. ‘Dus als ik het goed begrijp, vind jij dat ik op de baan sta om voortdurend jouw stand te controleren en corrigeren?’. De tegenstander heeft nu een ijzige blik in de ogen. Hij kijkt langs me heen: ‘Ik zei 40-15 en je hebt niks gezegd.’ Als ik geen zin heb om te capituleren (ik en mijn maat zijn zeker van onze zaak) biedt de tegenstander – in een vlaag van berouw? – een let aan. ‘Dan staat het 30 gelijk, oké?’ Ik ben al niet meer voor rede vatbaar. Ik weiger. ‘Hoe kun je nou naar links serveren op een even stand?’ zeg ik. ’30 gelijk klopt sowieso niet.’ ‘Oké,’ zegt de tegenstander resoluut, ‘dan moet je ’t zelf weten, dan is het 40-30.’ We spelen verder en één punt later hebben ze de game geroofd.  De tronie van die tegenstander – dat weet ik nu al – zal nog enige tijd in mijn geheugen rondwaren. Hoe dik (of dun?) is de laag van beschaving? Eén puntje dun. Op de tennisbaan, overal…?

(deze column verschijnt in het aankomende nummer van ‘Baanpraat’, het huisorgaan van ATV Berkenrode)